Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Posts Tagged ‘Wereld

Baas in eigen boerka

leave a comment »

VREEKEN, R., Baas in eigen boerka. Van Koran tot girlpower. A’dam, Uitg. Meulenhoff, 2010, 317 pp. – ISNB 978 90 290 8659 2

Als verslaggever voor de Volkskrant maakte Rob Vreeken tussen 2007 en 2009 verschillende reportages over de positie van de 750 miljoen vrouwen in de islamitische landen. Daaruit selecteerde hij er zeven, die geografisch en cultureel een staalkaart bieden van deze kolossale en zeer gevarieerde wereld. Hij trof er talrijke uitwassen aan van ondergeschiktheid, maar eveneens hoopvolle ontwikkelingen.

De praktijken waarmee vrouwen veroordeeld worden tot een tweederangspositie zijn vaak terug te voeren op oeroude culturele en tribale tradities. De islam heeft bepaalde gebruiken, zoals polygamie, gewoon opgenomen en ingelijfd. De meeste moslimlanden worden bovendien gekenmerkt door een tot op het bot conservatieve, patriarchale cultuur waarin mannen het heertje zijn en vrouwen op het tweede plan komen.

Nergens ter wereld is het leven daarom zo slecht voor vrouwen als in het door en door tribale en feodale Afghanistan. Van oudsher zijn vrouwen er niet meer dan koopwaar en bezit. Ze leven er in een ongemeen sterk patriarchale samenleving, onafhankelijk van Taliban of mujahedin. Toch vecht een handjevol moedige vrouwen om daar verandering in te brengen.

In de meeste landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika is de positie van vrouwen de laatste vijf jaar echter verbeterd. In Dubai is op een paar decennia reeds veel vooruitgang geboekt zowel op vlak van scholing als economische zelfstandigheid. Gebruiken als polygamie en vrouwenbesnijdenis, beide niet exclusief islamitisch, zijn in Senegal en Gambia met succes teruggedrongen. In Bangladesh heeft microkrediet de positie en zelfredzaamheid van vrouwen aanzienlijk verbeterd.

Jordanië is een van de meest liberale landen in het Midden-Oosten, alhoewel eremoorden en eerwraak nog schering en inslag zijn bij de landelijke bevolking. In Indonesië heeft de gematigde islam vrouwen nooit gekluisterd gehouden, al dreigen de oprukkende politieke islam en de arabisering hun gunstige positie aan te tasten. En als er één moslimland is dat, zijn imago ten spijt, rijp lijkt te zijn voor de moderne wereld, is het Iran wel. Nergens anders in de moslimwereld hebben vrouwen zoveel maatschappelijk potentieel als in Iran.

Er is langzamerhand iets aan het veranderen, aldus Rob Vreeken. Overal in de moslimwereld kwam hij vrouwengroepen tegen. Vrouwenbewegingen zijn een niet te onderschatten kracht tegen slecht bestuur en politieke achterlijkheid. En ze worden vaker met rust gelaten dan bewegingen voor de mensenrechten. Het islamitisch feminisme heeft bovendien een internationaal netwerk uitgebouwd.

Maar er is nog een lange weg te gaan. Overal in de islamitische wereld is er nog ontstellend veel discriminatie van en geweld tegen vrouwen. Op teveel domeinen zijn vrouwen achtergesteld en moeten ze het onderspit delven. Vooral onderdrukkend is de patriarchale familiewetgeving van de sharia. De teksten in de Koran over de behandeling van vrouwen zijn voor meerdere verklaringen vatbaar en worden altijd door mannen geïnterpreteerd.

De moslimlanden hebben echter niet het monopolie op de achterstelling van vrouwen. Ook in het hindoeïstische India worden vrouwen als tweederangsfiguren behandeld. Net als in andere samenlevingen wordt ook in moslimlanden de plaats en rol van vrouwen niet in de eerste plaats door godsdienst bepaald, maar door sociaaleconomische omstandigheden en door politieke en maatschappelijke machtsverhoudingen. Diezelfde factoren zijn dan ook de sleutel tot vooruitgang voor vrouwen.

Dit bijzonder informatieve en goed geschreven boek brengt, ondanks alle nog bestaande ellende, dan ook een positieve boodschap. De inhoud verdient echter enige reserve, want het is nu bijna tien jaar geleden geschreven. Zeker nu het Midden-Oosten in brand staat, kan men zich afvragen hoe het de vrouwenbeweging daar nu vergaat. Vrouwen zijn, naast kinderen, in oorlogsomstandigheden immers de eerste en belangrijkste slachtoffers. Een update zou dus heel welkom zijn.

© Minervaria

Advertenties

Written by minervaria

31 maart 2017 at 15:27

Geplaatst in Maatschappij, Vrouwen

Tagged with , ,

De nieuwe coöperatie

leave a comment »

DrukwerkLOTENS, W., De nieuwe coöperatie tussen realiteit en utopie. Leuven, Uitg. Lannoo Campus, 2014, 288 pp. – ISBN 978 94 014 1326 8 

In het kapitalisme zijn geld en kapitaalvorming in de plaats gekomen van het oorspronkelijke doel van de economie, behoeftebevrediging. Economische activiteit wordt gekoppeld aan concurrentie en winst maken. Van een vrije markt zou uiteindelijk iedereen beter worden. Die belofte wordt echter gelogenstraft door opeenvolgende zware financiële crises en toenemende armoede en ongelijkheid, ook in de Westerse landen. Wat is het alternatief? 

In de marge van de vrije markt worden overal ter wereld economische activiteiten ontplooid waarin niet concurrentie maar samenwerking centraal staat. In De nieuwe coöperatie maakt u kennis met een bonte verzameling van coöperatieve ondernemingen over de hele wereld. U wordt rondgeleid in uiteenlopende coöperatieve organisaties, zoals een boekhandel, een plantage, een garage of een recyclagebedrijf. Tussendoor krijgt u een beetje theorie over deze stille omslag in de economie. 

Niet-marktgerichte economische verbanden kunnen gezamenlijke behoeften bevredigen en voordelen realiseren die mensen afzonderlijk niet zouden kunnen bereiken. Coöperatief ondernemen omvat heel diverse vormen maar de basisprincipes zijn overal dezelfde: solidariteit en wederkerigheid. 

Winst is niet de eerste bekommernis maar wel een faire ruil van kwalitatieve diensten en goederen. Kapitaal is een middel om de onderneming te laten draaien en nieuwe investeringen te doen. Een coöperatie is niet alleen gericht op welbegrepen eigenbelang maar wil tevens een belangrijke menselijke meerwaarde creëren. Zo probeert een coöperatieve onderneming sociale en economische doelen met elkaar te verzoenen. 

Dat is geen onverdeeld succesverhaal. Hooggestemde idealen volstaan immers niet. Succes en mislukking zijn afhankelijk van zakelijk inzicht en ondernemingsvaardigheden. De afstemming tussen de initiatiefnemers loopt niet altijd gesmeerd en de samenwerking kan spaak lopen. En niet alle werknemers kunnen zich even gemakkelijk vinden in doelstellingen en werkwijze. 

Coöperatief ondernemen komt dus niet in de plaats van de bestaande vormen van economie. Ze positioneert zich ernaast in de overgang naar een samenlevingsmodel met een meer democratische economie. In periodes van economische crisis is het zeker op korte termijn lonend om afstand te nemen van winstlogica. Maar daarnaast is het een beweging van mensen die hun landbouw, consumptie, werken en wonen in eigen handen nemen en zodoende op eigen kracht naar een beter leven zoeken. 

In het afgelopen halfjaar zagen verschillende publicaties over coöperatief ondernemen het licht. Dit boek is het verslag van een rondreis langs een waaier van coöperatieve initiatieven in het Zuiden en het Noorden. Walter Lotens praat met mensen over hun beweegredenen en ervaringen en biedt een inkijk in de organisaties. 

De nieuwe coöperatie is een boeiende kennismaking met de coöperatieve wereld. U betreedt een heel diverse wereld die nauwelijks bekendheid geniet en waar relatief weinig wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan. Deze inleiding nodigt uit om er meer over te willen weten. En als reisverslag laat dit werk zich zeer vlot lezen. 

© Minervaria

Written by minervaria

29 april 2014 at 19:51

Geplaatst in Economie

Tagged with ,

JES!

leave a comment »

vanEmpelFSickingC14Van EMPEL, F &  C. Sicking, JES! Towards a Joint Effort Society. Vancouver, Leanpub in coop. with Studio nonfiXe, Vught, 2014, 217 pp.

Dertig jaar geleden beloofden de pleitbezorgers van het neoliberaal economisch beleid dat iedereen beter zou worden van de vrije markt. Deze voorspelling is tot nu echter niet uitgekomen. De globale welvaart mag dan enorm toegenomen zijn, ze is niet evenwichtig verdeeld. Er leven nog steeds minstens 1 miljoen mensen in schrijnende armoede en overal ter wereld neemt de inkomensongelijkheid toe. Bestaat er een alternatief?

In JES! presenteren Frank van Empel en Caro Sicking een dynamisch model voor de evolutie naar een Joint Effort Society, waarin de fundamentele menselijke vrijheid en zelfwerkzaamheid werkelijk gerealiseerd worden. In zulke samenleving wint iedereen, want niet competitie staat centraal, maar samenwerking. Een coöperatieve houding genereert immers meer productieve oplossingen voor een probleem. Deze opvatting delen ze met denkers van verschillende pluimage. Hoe kunnen wij een wereld creëren waarin iedereen beter af is?

De auteurs lanceren daarvoor een nieuw begrip: ecolutie. Ecolutie staat voor een dynamisch ontwikkelingsproces van alle krachten in een samenleving naar een wereld waarin samenwerking centraal staat en waarin ieder individu maximaal participeert. Het doel is niet groei maar vooruitgang. Hoe kan een samenleving evolueren van competitie naar coöperatie en wat is daarvoor nodig? Kan een maatschappij eigenlijk wel gestuurd worden?

Maatschappelijke veranderingsprocessen gaan immers alle kanten uit en hebben begin noch einde. Ze gedragen zich als een rizoom, een ondergronds wortelsysteem dat zich ongericht verspreidt. De werkelijkheid is als een jungle van onderling verbonden en wederkerige systemen. Verandering is de essentie van het leven. Orde scheppen in de werkelijkheid is een kunstmatige ingreep. De realiteit ontsnapt telkens weer aan ieder schema.

Aan dit bezwaar komt het begrip ecolutie tegemoet. Naargelang de aangevoelde noodzaak worden bestaande realiteiten afgebroken, herschikt en in een nieuwe vorm opgebouwd. Deze wordt weer afgebroken op het ogenblik dat ze niet meer aan de noden beantwoordt. Dit veranderingsproces vindt plaats binnen drie maatschappelijke sectoren: besluitvorming, gedrag en technologie/instellingen. Deze zijn onderling met elkaar verbonden. Ze haken als tandwielen in elkaar, zetten elkaar beweging en onderhouden deze tegelijk.

Een verkenning van deze sectoren maakt duidelijk dat er nog heel wat werk aan de winkel is. Zo is democratische besluitvorming een conditio sine qua non voor ecolutie, maar wereldwijd nog lang niet gerealiseerd. Het gedrag van individuen, groepen en organisaties kan beweging in gang zetten, maar ook tegenhouden. De wisselwerking tussen technologie en instellingen kan een explosie van welvaart met zich brengen, maar logge bureaucratische structuren vormen vaak torenhoge obstakels voor echte vooruitgang.

Tenslotte wordt uitgezocht hoe deze krachten kunnen ‘draaien ‘ in de richting van een Joint Effort Society. Samenwerkingsstrategieën, het vormen van allianties in de plaats van het voeren van oppositie en het cultiveren van tegenstellingen zien we nu al in de werking van de Europese Unie en andere internationale organisaties en instituties.

De lectuur van dit boek riep bij mij gemengde gevoelens op. Het lijdt geen twijfel dat het neoliberalisme en het vrije marktdenken hun belofte niet ingelost hebben. Met treffende voorbeelden tonen de auteurs aan hoe de competitieve economie de wereld voor heel wat mensen juist slechter heeft gemaakt in plaats van beter. Zij scharen zich begeesterd achter de vele autoriteiten die overtuigd zijn dat een coöperatieve samenleving veel meer voordelen biedt.

Maar is dat niet het intrappen van een open deur? Verandering begint uiteraard met de vaststelling dat de bestaande situatie niet voldoet. Het idee van ‘ecolutie’ als veranderingsmodel houdt beloftes in, maar echte krachtlijnen kreeg ik niet gepresenteerd. Ik las hoe dit veranderingsproces eruit kan zien en hoe er over de hele wereld hoopgevende initiatieven genomen worden die daartoe een aanzet kunnen geven. Maar ik miste welke voorwaarden daarvoor nodig zijn en hoe deze kunnen gerealiseerd worden, welke hindernissen te verwachten zijn en hoe die genomen kunnen worden. Deze toch belangrijke kwesties blijven grotendeels onder de radar.

Een eventuele vervolgpublicatie zou bovendien een meer samenhangend betoog mogen leveren. Het is niet omdat veranderingsprocessen in een samenleving wanordelijk verlopen, dat men zich bij het bestuderen ervan kan beperken tot een verzameling ideeën, hoe inspirerend ook.

Het is tenslotte jammer dat de tekst zoveel storende taalslordigheden bevat en geschreven is in slecht Engels, dat te lezen is als een letterlijke vertaling uit het Nederlands. Geregeld stootte ik op een verkeerde schrijfwijze van zegswijzen en begrippen. Een voorbeeld: contradictio in terminus. Een oplettende redactie had dit kunnen voorkomen.

© Minervaria

Written by minervaria

21 maart 2014 at 17:54

Eén miljard achterblijvers

leave a comment »

CollierP09COLLIER, P., Eén miljard achterblijvers. Waarom de armste landen steeds verder achterop raken en wat wij daaraan kunnen doen. (Vert. The Bottom Billion; Why the Poorest Countries Are Failing and What Can Be Done About It, 2008) Houten, Uitg. Het Spectrum, 2009, 254 pp. – ISBN 978 90 491 0124 4

Ondanks de aanwezigheid van internationale troepen in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) duren de gruwelijkheden voort. Jonge meisjes worden aan de lopende band verkracht. Rebellen hebben systematisch landbouwgrond verwoest. Binnen enkele maanden zal er niets meer zijn om te eten en dreigt een hongersnood.

De Centraal-Afrikaanse Republiek is een van de landen die aan de onderkant van de wereldeconomie leven. Ze volgen niet het pad van de meeste andere ontwikkelingslanden. In deze landen is ontwikkeling volkomen mislukt. Ze blijven kampen met hardnekkige problemen die niet voorkomen in meer succesrijke landen en hebben geen enkele groei doorgemaakt. En àls ze groeien, gaat dat zo langzaam dat ze een aanzienlijk risico lopen op een terugval voor zij een veilig inkomensniveau bereiken.

Als er niets aan gedaan wordt zal de kloof tussen deze groep en de rest van de wereldeconomie de komende decennia steeds groter worden. Een toekomstige wereld met een miljard mensen die een ellendig leven leiden in straatarme en stagnerende landen kan de wereld zich niet permitteren en nog minder goedkeuren.

Indien het een kwestie was van geld pompen in deze landen waren de problemen al lang verholpen. Vroeger waren immers alle samenlevingen arm, maar de meeste krabbelen uit die armoede omhoog. Waarom lukt dat sommige niet? Paul Collier, hoogleraar in Harvard en Oxford en voormalig onderzoeker bij de Wereldbank, ziet vier valkuilen waaruit sommige landen zich haast niet kunnen bevrijden.

De economische groei van de lage-inkomenslanden wordt in de eerste plaats belemmerd door burgeroorlogen en staatsgrepen. De aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen is een tweede hinderpaal, die bovendien een democratische staatsvorm in de weg staat. Als een land afgesloten is van de zee en omringd is door slechte buren, die ook arm zijn, zit het in een derde valkuil. De laatste valkuil wordt gevormd door slecht bestuur en slecht economisch beleid. Falende staten kunnen een land met schrikbarende snelheid ruïneren.

De globalisering die aan veel ontwikkelingslanden een uitkomst biedt maakt het deze landen daarenboven juist moeilijker. Ze verhoogt de kans dat zij gevangen blijven zitten in de afhankelijkheid van natuurlijke hulpbronnen. En migratie van de weinige geschoolde werkkrachten berooft ze van hun schaarse kapitaal en talent.

Pogingen om iets te doen aan deze hopeloze situatie beperkten zich tot nu tot ontwikkelingshulp. Die is echter onvoldoende en brengt ook ernstige problemen en beperkingen mee. De grote uitdaging is om de hulp oordeelkundig aan te vullen met andere maatregelen. Daarvoor is het nodig dat er een omslag plaatsvindt in het politieke denken.

Weloverwogen militaire interventie bij en na een conflict kan zorgen voor het herstel van de orde, vredeshandhaving en het voorkomen van staatsgrepen. Goed doordachte en specifieke internationale wetten en regelgeving kunnen hervormers steunen om criminaliteit te bestrijden en corruptie tegen te gaan. En er moet een internationale handelspolitiek komen waarvan ook de armste landen profijt kunnen hebben. Bij wijze van besluit stelt Collier een agenda op voor de G8 met beleidsvoorstellen die het miljard achterblijvers kunnen helpen om hun achterstand effectief in te lopen.

Voor zijn studie baseerde hij zich op uitgebreide en diepgaande statistische analyses van de beschikbare gegevens in technische artikelen. Anders dan de emotionele posters die mensen moeten bewegen tot vrijgevigheid, verschaffen deze een meer objectief beeld van de uitzichtloze situatie van de allerarmsten in de wereld.

In dit aangrijpende boek krijgt u een stevige inleiding in internationale wetgeving en handelspolitiek. Vooral het laatste is een taaie brok, iets waarvoor de auteur zelf ook waarschuwt. Hij heeft weliswaar moeite gedaan om zijn bevindingen zo toegankelijk mogelijk voor te stellen. Toch vraagt het veel concentratie om alles goed te begrijpen. Daar helpen de talloze slordigheden in de vertaling natuurlijk niet echt bij.

Als u inzicht wilt krijgen in de complexe mechanismen die de meest fragiele samenlevingen op aarde van de ene ramp in de andere storten, dan moet u dit boek lezen. Het maakt duidelijk hoe en waarom deze landen gevangen zitten in een spiraal van armoede, stagnerende groei, chaos en conflicten. U leert waarom ontwikkelingshulp niet volstaat en hoe andere, vaak minder populaire, ingrepen veel effectiever kunnen zijn.

Al is het meer dan vijf jaar geleden geschreven en is de situatie intussen in een aantal landen veranderd, dit boek blijft jammer genoeg brandend actueel.

© Minervaria

Aanvulling: Three Myths on the World’s Poor

Written by minervaria

20 januari 2014 at 20:40

Geplaatst in Economie, Maatschappij

Tagged with , ,

Kosmopolitisme

leave a comment »

APPIAH, K.A., Kosmopolitisme. Ethiek in een wereld van vreemden. (Vert. Cosmopolitanism. Ethics in a World of Strangers) A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2007, 215 pp. – ISBN 978 90 351 3177 4

“Waar je ook heen reist op aarde, je kunt er – vandaag net als altijd – ceremonieën aantreffen die wortelen in eeuwenlange tradities. Maar je zult ook overal – en dat is nieuw – veel innige verbanden aantreffen met veraf gelegen plaatsen: Washington, Moskou, Mexico-Stad, Peking,” (p. 107)

Doorgaans wordt dit proces globalisering genoemd. Maar als het gaat om de wereldwijde onderlinge beïnvloeding van de levens van mensen is deze term niet toereikend. Het gaat immers niet alleen en zozeer over de verspreiding van een marktstrategie, maar over samen leven in een wereld van verschil.

Dit boek gaat over onze status van wereldburger. Hoe kunnen we vreedzaam omgaan met groepen mensen die totaal andere opvattingen hebben over wat belangrijk is en hoe je dient te leven? Hoe kunnen we in harmonie leven met mensen wier overtuigingen we niet delen? Kan ik iemand zijn gang laten gaan als ik overtuigd ben van zijn ongelijk? Hoe kunnen we morele onenigheid en waardeconflicten oplossen? Hebben we wel algemene waarden nodig? Hoever reiken onze verantwoordelijkheden en verplichtingen tegenover mensen aan de andere kant van de wereld? Moet de eigen cultuur beschermd worden tegen de ‘besmetting’ door een andere cultuur? En hoe vreemd is een/het vreemde eigenlijk?

De Ghanees-Britse cultuurfilosoof Kwame Anthony Appiah houdt een pleidooi voor kosmopolitisme. De combinatie van universele zorg en respect voor onderling verschil staat hier centraal. In een geglobaliseerde wereld zijn wij immers allen verantwoordelijk voor elkaar. Hiermee zet hij zich zowel af tegen alle vormen van particularisme, nationalisme en patriottisme die de verschillen tussen mensen uitvergroten, als tegen die uitingen van universalisme en imperialisme die iedereen dezelfde waarden en leefwijze willen opleggen.

Leven en laten leven is het devies van het kosmopolitisme. Via een open gesprek kunnen we komen tot wederzijds begrip en aanvaarding van ieders waarden en daardoor tot een vreedzaam samenleven. Samenlevingen zijn immers niet gebaseerd op theoretische waarheden maar op praktische regels voor het handelen. Appiah huldigt het primaat van de praktijk (zie ook de Rijk).

We moeten het niet noodzakelijk eens worden maar elkaar begrijpen, zegt hij. Gesprek hoeft niet tot overeenkomst over wat dan ook te leiden; het is genoeg als het mensen helpt om aan elkaar te wennen. Er zijn immers veel waarheden die het waard zijn om naar te leven en je kan niet naar alle waarheden tegelijk leven. Hiermee zet Appiah zich met klem af tegen alle vormen van fundamentalisme, zij het al dan niet religieus of nationalistisch. Kosmopolitisme is per definitie pluralistisch. Het is openstaan voor en leren van de andere.

Als zoon van een Britse moeder en een Ghanese vader kan hij het weten. Hij is geboren en opgevoed in Ghana binnen twee culturen. Voor de onderbouwing van zijn stellingen put hij overvloedig uit zijn eigen opvoeding en levensloop bij de Asante, het volk van zijn vader.
Wie de eerste hoofdstukken over de waarde en grenzen van het positivisme kan doorworstelen krijgt als beloning een boeiend en inzichtelijk betoog, geïllustreerd met treffende voorbeelden.

Kosmopolitisme biedt een andere kijk op en geeft een rijkere inhoud aan cultuurrelativisme en tolerantie. Als kosmopoliet verschaft Appiah geen sluitende antwoorden, maar wel een humanistische visie op menselijke universaliteit en verschil.

Als besluit Kwame Anthony Appiah zelf: “De grote les van de antropologie is dat als een vreemdeling niet langer alleen in de verbeelding bestaat, maar echt en aanwezig is, en we met hem een menselijk, maatschappelijk leven delen, je hem aardig of onaardig kunt vinden; maar als je dat allebei wil, dan kun je elkaar tenslotte begrijpen.” (p. 117)

© Minervaria

Written by minervaria

27 april 2009 at 20:57

Geplaatst in Ethiek, Filosofie, Politiek

Tagged with

Internationale rechtvaardigheid

leave a comment »

VERSCHRAEGEN, G. & R. TINNEVELT, Internationale rechtvaardigheid. Over politiek en ethiek in een mondiaal tijdperk. Kapellen, Uitg. Pelckmans/Klement, 2005, 248 pp. – ISBN 90 289 3638 6

In Europa merken we het al langer: nationale grenzen zijn in de afgelopen decennia steeds minder belangrijk geworden. En met de traditionele grenzen van de natiestaat wordt door wereldomspannende netwerken weinig of geen rekening meer gehouden. Voor mensen die in staat zijn om van deze mondiale netwerken van consumptiegoederen, arbeid, media en rechtsbescherming gebruik te maken, is zeker een beter leven weggelegd. Een aanzienlijk deel van de wereldgemeenschap is daarvan echter grotendeels afgesneden. Deze mensen weten wel wat zich in de wereld afspeelt maar ze beschikken zelden over de mogelijkheden om daadwerkelijk iets aan hun situatie te verbeteren. Ze lijden onder armoede en analfabetisme en zijn niet in staat om invloed uit te oefenen op hun lokale of nationale leiders. Hun regeringen hebben bovendien in veel gevallen de controle verloren over het grondgebied, dat ten prooi valt aan corruptie, criminele netwerken en etnische conflicten.

De internationale gemeenschap lijkt meer dan ooit in staat om mensen wereldwijd tegen honger, ziekte, onderdrukking en onwetendheid te beschermen. Toch doet ze dat slechts zelden en ook weinig systematisch. Regelmatig worden wel hoogdravende verklaringen afgelegd, maar de verwezenlijking daarvan laat meestal op zich wachten. Mondiale morele betrokkenheid wordt vooral overgelaten aan hulporganisaties en actiegroepen zoals het Rode Kruis, Oxfam, Amnesty International en Artsen zonder Grenzen. Door grootschalige acties kunnen ze even het geweten en het geld van het grote publiek mobiliseren. Tegelijk met de media-aandacht ebt na een poos echter ook de mondiale betrokkenheid van dat grote publiek weg.

We zijn het er allemaal over eens dat er iets aan de armoede en de honger in de wereld moet worden gedaan, maar niemand lijkt te weten hoe dat kan. Moeten we een recht op levensonderhoud erkennen of een recht op een universeel basisinkomen? Hoe kunnen we de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en de sociale primaire goederen verdelen over alle mensen? Welke tussenkomsten zijn terecht om grootschalige hongersnood en vermijdbare ziekten te voorkomen?

Een van de belangrijkste hinderpalen voor het bereiken van rechtvaardigheid voor alle mensen op aarde is de soevereiniteit of het zelfbeschikkingsrecht van de natiestaten. Hierop is sinds het einde van de tweede wereldoorlog de internationale rechtsorde gebaseerd. De soevereiniteit van de natiestaat speelt een sleutelrol in het behoud van de wereldvrede. Ze brengt echter mee dat de inwoners van een land voor hun rechten afhankelijk zijn van wie er de macht en middelen in handen heeft. Tegelijk is tussenkomst door andere staten bij zwaar machtsmisbruik gebonden aan strikte regels. De internationale gemeenschap moet vaak machteloos toezien hoe miljoenen mensen in bepaalde landen op brutale wijze van de meest elementaire rechten worden uitgesloten.

Onder redactie van Gert Verschraegen en Ronald Tinnevelt, postdoctoraal onderzoekers aan de Katholieke Universiteit Leuven, onderwerpt een keur van binnen- en buitenlandse filosofen en sociale wetenschappers deze soevereiniteit aan een kritische analyse.

Het meest opvallende wereldwijde probleem is de onrechtvaardige verdeling van goederen en vermogens onder de wereldbevolking. Rechtvaardige verdeling van goederen en diensten is nog altijd een overwegend binnenlandse aangelegenheid. Zelfs de gezaghebbende politiek filosoof John Rawls treedt met zijn theorie over rechtvaardigheid niet buiten de grenzen van de natiestaat. Voor de realisatie van mondiale rechtvaardigheid zijn deze principes en criteria echter niet toereikend.

Vier auteurs proberen een antwoord te formuleren op onder andere volgende vragen. Welke verplichtingen hebben we tegenover mensen die niet in staat zijn om op een productieve wijze bij te dragen aan de wereldeconomie? Wat zijn we bijvoorbeeld verschuldigd aan de Filippino die leeft op de vuilnisbelten van Manilla? Mogen we bij de verdeling van materiële hulpbronnen en van sociale primaire goederen een onderscheid maken tussen landgenoten en buitenlanders? Hebben we ten aanzien van landgenoten speciale plichten die we niet hebben jegens buitenlanders? In hoeverre zijn rijke landen verantwoordelijk voor de extreme armoede die in de wereld heerst? En hoever reiken de rechtvaardigheidsplichten van de rijke landen tegenover de arme landen? Hoewel ze niet in alle opzichten dezelfde visie delen, zijn de auteurs het er wel over eens dat er geen enkel overtuigend moreel argument is om aan staatsburgers andere sociale en economische rechten toe te kennen dan aan buitenlanders.

Een tweede kwestie betreft de culturele diversiteit. Kunnen de problemen van mondiale rechtvaardigheid daadwerkelijk opgelost worden met de westerse standaardrecepten van liberale democratie en individuele basisrechten? In hoeverre maken we ons schuldig aan een nieuwe vorm van imperialisme als we ons begrip van politiek en rechtvaardigheid aan anderen opleggen? Internationale rechtvaardigheid betekent immers ook dat we het bestaan van verschillende culturele identiteiten binnen natiestaten erkennen en de rechten van leden van minderheidsculturen beschermen. Hoe kunnen we culturele identiteiten erkennen en groepsculturen beschermen zonder toe te laten dat de waardigheid en integriteit van individuen en groepen op grove wijze wordt geschonden? Het antwoord van Martha Nussbaum luidt dat de ontplooiing van fundamentele menselijke vermogens (basic capabilities) hiervoor een beter criterium is dan het uitoefenen van fundamentele rechten.

Een derde uitdaging voor mondiale rechtvaardigheid is de naleving van universele mensenrechten. Deze rechten hebben per definitie een universele morele strekking. Ze worden aan iedereen toegekend op basis van het simpele feit van mens-zijn. Maar ze zijn alleen wettelijk afdwingbaar voor rechtspersonen, d.w.z. voor de burgers van een natiestaat. Vluchtelingen en andere ontheemden zijn dus in dat opzicht rechteloos. En als die natiestaat de mensenrechten niet respecteert, worden ze voor de inwoners niet in praktijk gebracht.

Men kan zich dan ook afvragen of staten die de fundamentele rechten van hun burgers op grove wijze schenden nog wel recht hebben op staatssoevereiniteit. Onder welke voorwaarden mag de internationale gemeenschap optreden tegen ernstige schendingen van de mensenrechten in bepaalde staten? En hoe worden de vrijheden en rechten van burgers in deze landen dan het best beschermd? Het antwoord hierop is niet eenvoudig. In het ene geval gebeurt dit beter door een tijdelijk toezicht van mondiale instellingen, in het andere geval door het stabiliseren en versterken van de nationale staatsinstellingen en soms door een combinatie van beide.

Mondiale rechtvaardigheid is een relatief nieuw thema voor filosofen en sociale wetenschappers. De term is in het dagelijkse gebruik ook nog niet ingeburgerd. Daarom kozen de redacteurs van dit boek voor de term internationale rechtvaardigheid als titel, alhoewel deze een andere betekenis heeft. Internationale rechtvaardigheid stelt de relaties tussen staten centraal. Mondiale rechtvaardigheid gaat over rechtvaardige relaties tussen individuen onderling en tussen staten en individuen.

Wie in dit boek pasklare antwoorden op een dergelijk complex probleem verwacht komt bedrogen uit. Maar deze bundel biedt wel een goed overzicht van de verschillende filosofische opvattingen over mondiale rechtvaardigheid. Hij bevat originele bijdragen aan het denken over actuele, wereldomspannende politieke vraagstukken. De meeste essays zijn redelijk tot zeer toegankelijk. Tot de laatste categorie horen de bijdragen van beide redacteuren en, zoals we van haar gewend zijn, ook het boeiende essay van Martha Nussbaum. Sommige teksten zijn echter ronduit ondoorzichtig voor een modale lezer als ik.

© Minervaria

Written by minervaria

24 maart 2009 at 22:33

Geplaatst in Ethiek, Filosofie, Politiek

Tagged with ,