Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Wetenschap’ Category

Waarom we werken

leave a comment »

SCHWARTZ, B., Waarom we werken. (Vert. Why we work, 2015) A’pen, Davidsfonds/WPG Uitgevers, 2015, 108 pp. – ISBN 978 90 5908 710 1

Als u graag het bed uit komt om naar het werk te gaan, bent u een uitzondering. Wereldwijd vormt het werk voor bijna 90 procent van de mensen eerder een bron van frustratie dan van voldoening. Hoe komt het dat zoveel mensen met tegenzin gaan werken?

Ze zijn ervan overtuigd dat werken een karwei is waar ze zo snel mogelijk van af willen zijn. En vanuit hetzelfde idee beperken managers zich ertoe om controle uit te voeren en hun werknemers te belonen of te straffen. Routinevorming, overmatig toezicht en verloningsprikkels zijn echter desastreus voor goed werk en hebben een averechts effect. Ze werken concurrentie tussen werknemers in de hand en verwoede pogingen om het systeem te manipuleren.

Zo hoeft het echter niet te zijn, aldus Barry Schwartz. Hij toont aan dat het mogelijk is om bijna elk werk zinvol te maken, los van het geld dat het oplevert. Het verschil tussen goede en slechte banen ligt niet zozeer aan de taken zelf, maar aan de context waarin ze uitgevoerd worden.

Als je een omgeving creëert waarin werknemers gerespecteerd worden en ze hun werk als waardevol ervaren, werken ze met plezier. Er zijn bovendien stevige bewijzen dat het anders inrichten van werk niet alleen meer voldoening verschaft aan de werknemers, maar bedrijven ook winstgevender maakt.

Vindt u dit ook het intrappen van een open deur? Waar komt dan het bijzonder hardnekkige idee vandaan dat mensen van nature een afkeer hebben van werken en dat alleen doen omwille van het geld dat het oplevert? Het antwoord van Schwartz op deze vraag vond ik het meest boeiende deel van zijn betoog.

Eerst houdt hij een interessante uiteenzetting over het verschil tussen wetenschappelijke ontdekkingen en uitvindingen. Ontdekkingen leren ons hoe de wereld werkt, uitvindingen gebruiken die ontdekkingen om zaken of processen te creëren waardoor die wereld anders gaat werken. Dit zijn technologieën.

Een theorie over de menselijke natuur is te vergelijken met een wetenschappelijke uitvinding. Ze leert ons niet hoe de mens werkelijk in elkaar zit, maar heeft vooral invloed op de wijze waarop mensen zich gaan gedragen. Daarom noemt Schwartz haar, en meer specifiek de theorie over de menselijke motivatie om te werken, een ideeëntechnologie of ideologie.

Ideologieën zijn onware theorieën die waar kunnen worden, simpelweg omdat mensen erin geloven. Mensen zitten immers niet gevangen in een bepaalde aard. Ze veranderen wel degelijk door werk en het soort werk dat ze verrichten. De ideologie van de luie mens is een zichzelf waarmakende feedbackloop. Ze verklaart waarom tegenwoordig op de meeste werkplekken zo sterk gebruik wordt gemaakt van nauw toezicht, routinematige werkzaamheden en prikkels.

Tenzij we ons gezamenlijk inspannen om deze ideologie te bestrijden, groeien we allemaal uit tot de luie, zelfzuchtige, ons eigenbelang najagende wezens die we volgens sommige sociale wetenschappers altijd al zijn geweest, aldus Barry Schwartz. Maar als we werkplekken zó ontwerpen dat mensen er waardevol werk kunnen verrichten en zin kunnen ontlenen aan hun werk, ontwerpen we tegelijk een menselijke natuur die werk waardeert.

Er is dus nog veel werk aan de winkel voor de managementsector!

Dit dunne, vlot leesbare werkje is de neerslag en verdere uitwerking van een TED-talk uit 2013. Wie de enthousiaste Barry Schwartz liever zelf aan het woord ziet en hoort kan deze hier bekijken.

© Minervaria

Advertenties

Written by minervaria

28 februari 2018 at 13:23

Geplaatst in Management, Wetenschap

Waarom iedereen altijd gelijk heeft

leave a comment »

merschr16MERSCH, R., Waarom iedereen altijd gelijk heeft. A’dam, Uitg. De Bezige Bij, 2016, 271 pp. – ISBN 978 90 234 3804 5

Hoe sereen ze ook beginnen, debatten en discussies ontaarden snel in een uitzichtloze strijd tussen twee kampen. Die zijn er beide van overtuigd dat de feiten hen overduidelijk gelijk geven. Hoe kan dat nu? Zijn feiten dan niet objectief? Je kunt er toch niet naast kijken?

Als u zich dit ook al afvroeg, dan is dit werk een must read. Ruben Mersch dook in de wetenschappelijke literatuur en vlooide het voor u uit. Hij verheldert het antwoord in een buitengewoon helder en meesterlijk geschreven werk. Hij is niet aan zijn proefstuk toe, want hij in 2013 kreeg hij reeds de Zesde Vijs van Skepp, de trofee voor de verspreiding van kritisch denken.

Talloze experimenten tonen aan dat onze standpunten niet steunen op rationele argumenten of op feiten maar op morele oordelen. En die zijn niet beredeneerd maar berusten op gevoel. We zijn immers niet moreel geworden door lang nadenken, maar door onze evolutionaire geschiedenis.

Waarschijnlijk is moraliteit ontstaan ten behoeve van samenwerking binnen de eigen groep. Mensen kunnen beter overleven in een groep waar empathie en wederkerigheid heersen en waar de leden van een groep loyaal zijn aan elkaar. Sociale status en sociale druk hebben dus evolutionaire voordelen.

We nemen dan ook gemakkelijk de morele opvattingen over van de groep waartoe we behoren. En we omringen ons bij voorkeur met mensen die er dezelfde waarden en normen op na houden. Zo vormen we ‘morele stammen’ die zich zo ver mogelijk houden van groepen en individuen met andere opvattingen.

Die morele opvattingen kleuren onze kijk op de werkelijkheid. Als we eenmaal een positief of negatief etiket op de feiten geplakt hebben, dan zien we uitsluitend voor- of nadelen. De realiteit wordt dus niet in de eerste plaats beoordeeld door onze ratio maar door emoties. Kennis is niet noodzakelijk, een etiket volstaat.

En om onze morele oordelen bevestigd te zien gebruiken we verschillende strategieën. We voelen ons ongemakkelijk bij feiten die indruisen tegen onze opvattingen. Dus aanvaarden we de feiten die stroken met onze oordelen en houden geen rekening met wat er niet bij past. We hebben een voorkeur voor argumenten die bevestigen wat we al meenden te weten. En we gebruiken onze kennis als munitie om de argumenten van anderen af te schieten.

Daarvan zijn we ons echter niet bewust. Zo overschatten we allemaal onze eigen kritische ingesteldheid en dreigt menige discussie in een welles-nietes strijd te verzanden. Tegenstanders in een debat staven hun standpunt ieder met hun eigen feiten. Deze dienen niet om het eigen standpunt te verifiëren maar om het te onderbouwen.

De werkelijkheid valt echter zelden netjes uit elkaar in goed of slecht. Hoe kunnen we dan constructiever van mening verschillen? Als we onze eigen morele intuïties onderkennen en kritisch beschouwen, kunnen we leren om open te staan voor de argumenten van de tegenpartij en die op hun echte waarde beoordelen.

Op een zeer toegankelijke wijze maakt Ruben Mersch u vertrouwd met de inzichten uit divers wetenschappelijk onderzoek over moraliteit en redeneren. Hij breekt ook een lans voor wetenschappelijk denken. De vele spitsvondige vergelijkingen en voorbeelden uit het dagelijks leven maken zijn betoog luchtig en licht verteerbaar. Als u dit werk gelezen hebt weet u niet alleen waarom u met bepaalde mensen altijd in de clinch ligt, maar ook hoe u dit kunt vermijden.

© Minervaria

 

Written by minervaria

23 februari 2017 at 14:03

Geplaatst in Psychologie, Wetenschap

Wetenschap en religie

leave a comment »

DixonT15DIXON, T., Wetenschap en religie. (Vert. Science and Religion: A Very Short Introduction, 2008) A’dam, Amsterdam University Press, 2015, 184 pp. – ISBN 978 90 89646941

Een botsing tussen wetenschap en religie is onvermijdelijk omdat hun verklaringen of standpunten onverenigbaar zijn. Zo luidt althans de gangbare opvatting. Toch klopt deze niet zonder meer. Politieke, sociale ethische motieven en achtergronden spelen een minstens even grote rol. De Britse historicus Thomas Dixon doet een informatief en onpartijdig onderzoek naar de meest gangbare conflicten tussen wetenschap en religie.

Zo maakt hij duidelijk dat het dispuut tussen Galilei en de Rooms Katholieke Kerk niet in de eerste plaats ging over zijn wetenschappelijke opvattingen. De Kerk had immers weinig problemen met de empirische wetenschap. Galilei had echter de pech dat hij in volle contrareformatie leefde. Hij werd vooral veroordeeld omdat hij de Kerk niet gehoorzaamd had.

Religie heeft doorgaans weinig problemen met het wetenschappelijk onderzoek naar de werking van de natuur. Het intellectuele meningsverschil heeft vooral betrekking op de vraag hoe de natuur is ontstaan en of er al dan niet een God is die er zich mee bemoeit. Wetenschap en religie zijn hier aan elkaar gewaagd. Geen van beide kon deze kwestie tot nu toe afdoende ophelderen.

Vooral de evolutietheorie stelt de religie op de proef. De meest prominente tegenstanders vinden we bij de islam en bij het protestantisme in de Verenigde Staten. Daar kant men zich echter niet zozeer tegen wetenschap op zich. In de Verenigde Staten heeft ‘intelligent design’, ook wetenschappelijk creationisme genoemd, immers een ruime aanhang. Dat de evolutietheorie er gevaarlijk gevonden wordt, is verklaarbaar vanuit de geschiedenis en onderwijspolitiek aldaar.

Vanaf de negentiende eeuw hebben wetenschappelijke studies naar de hersenen en de geest de religieuze overtuigingen verder ondermijnd. Gelovigen verzetten zich tegen het idee dat menselijk bewustzijn, moraliteit en zelfs religie wetenschappelijk te verklaren zijn. Is dit geen vrijbrief voor materialisme en moreel onverantwoordelijk gedrag? Ook dit lijkt eerder een schijnconflict. Moraliteit verdwijnt niet in een geseculariseerde wereld. Ze neemt wel andere, soms even dwingende vormen aan.

Ook al lijkt het zo, religie en wetenschap hoeven niet met elkaar in tegenspraak te zijn, besluit Dixon. Vooroordelen zijn er zowel bij de rechtlijnige gelovige als bij de doctrinaire wetenschapper. En openheid treft men ook bij beide strekkingen aan.

Wetenschap en religie is geen polemisch boek. Dixon haalt het debat uit de boksring en verheldert genuanceerd en onpartijdig over wat er in wezen op het spel staat. Daarin is hij naar mijn mening wel degelijk geslaagd.

© Minervaria

Written by minervaria

14 juni 2016 at 19:20

Het Onwaarschijnlijkheidsprincipe

with 2 comments

HandD14HAND, D., Het Onwaarschijnlijkheidsprincipe. Waarom toeval, wonderen en zeldzame gebeurtenissen iedere dag voorkomen. (Vert. The Improbability Principle. Why Coincidences, Miracles and Rare Events Happen Every Day, 2014) A’dam, Ambo/Anthos Uitgevers, 2014, 283 pp. – ISBN 978 90 263 2721 6

Mensen die meermalen een loterij winnen, de bliksem die bij herhaling dezelfde pechvogel treft, financiële rampen die zich keer op keer voltrekken, …

Soms is een samenloop van gebeurtenissen zo onaannemelijk dat ze gestuurd lijkt door geheimzinnige buiten- of bovennatuurlijke krachten. Allerlei vormen van bijgeloof, profetieën, goden, wonderen, occulte verschijnselen en paranormale krachten worden dan ook ingeroepen om deze verrassende gebeurtenissen te verklaren.

Ingewikkelde en mysterieuze theorieën zijn echter geheel overbodig. De kans of waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis plaats grijpt wordt afdoende verklaard door de wetten van de kansberekening. Zo zegt de wet van de onvermijdelijkheid dat er zich altijd een van alle mogelijke gebeurtenissen zal voordoen. En volgens de wet van de werkelijk grote aantallen heeft zelfs een onaannemelijke gebeurtenis een gerede kans om zich voor te doen, als er maar voldoende gebeurtenissen zijn.

Met deze wetten bent u misschien vertrouwd uit het werk van Leonard Mlodinov, Nassim Taleb of Spyros Madrikadis. De Britse statisticus David Hand gaat nog een stapje verder. In dit boek toont hij aan hoe deze en andere wetten elkaar versterken en een toevallige samenloop van gebeurtenissen afdoende kunnen verklaren.

De verschillende wetten van de kansberekening vormen samen de pijlers of strengen van het Onwaarschijnlijkheidsprincipe. Zo kan een uitkomst die eerst buitengewoon onaannemelijk leek, in feite heel waarschijnlijk zijn en het onverwachte dus helemaal niet zo onverwacht. De combinatie van deze wetten is er de oorzaak van dat ogenschijnlijk uiterst ongewone gebeurtenissen zich dagelijks voordoen.

De kracht van het Onwaarschijnlijkheidsprincipe wordt bovendien versterkt doordat de menselijke psychologie niet goed toegerust is om de kans op toevallige gebeurtenissen correct in te schatten. Wij laten ons vaak verrassen en beschouwen gebeurtenissen als hoogst onwaarschijnlijk omdat onze intuïtieve waarneming ons misleidt. Wij slaan geregeld de bal mis omdat we ons vergissen.

En het is niet alleen leuk om dat allemaal te weten, het is ook nuttig. Want in allerlei sectoren moeten soms levensbelangrijke beslissingen genomen worden op basis van de inschatting van kansen. Zo vloeien gerechtelijke dwalingen vaak voort uit veronderstellingen die berusten op verkeerd begrepen kansberekening. De auteur toont aan hoe een beter begrip van het Onwaarschijnlijkheidsprincipe een toepassing vindt in de wetenschap, het zakenleven, de medische wereld en de rechtspraak.

Volgens de New Scientist is dit werk een voortreffelijke inleiding in het kritisch denken. Daar ben ik het helemaal mee eens. In Het Onwaarschijnlijkheidsprincipe maakt u kennis met de fascinerende wereld van het toeval en de kansberekening. En die is veel spannender dan de vergezochte theorieën over mysterieuze verschijnselen zoals buitenaardse tussenkomsten, verborgen boodschappen in de Bijbel of paranormale dieren die de uitkomst van een wedstrijd voorspellen.

U hoeft bovendien niet bang te zijn dat de inhoud u boven het petje zal gaan. Alleen het beperkte deel over de oorzaak en werking van het universum is een taaie brok, maar dat kunt u gerust overslaan. De auteur is erin geslaagd om wiskundige wetenschap over toeval en kansen op een inzichtelijke en onderhoudende wijze voor te stellen. En de epiloog en appendices bevatten een bondige herhaling van de wetten en hun uitkomsten.

© Minervaria

Written by minervaria

11 mei 2016 at 16:31

Geplaatst in Kanstheorie

De ongelovige Thomas heeft een punt

leave a comment »

BraeckmanJBoudryM11BRAECKMAN, J. & M. BOUDRY, De ongelovige Thomas heeft een punt. Handleiding voor kritisch denken. A’pen, Utrecht, Uitg. Houtekiet, 2011, 344 pp. – ISBN 978 90 8924 188

Energetische kristallen, complottheorieën, helderziendheid, homeopathie, handoplegging, telekinese, aardstralen, telepathie, urinetherapie, oorkaarstherapie, astrologie, wichelroedelopen, auratherapie, chakra’s, het bestaan van engelen, sterrenkinderen, geloof in vorige levens en wenende Mariabeelden. Het aanbod van bizarre beweringen en opvattingen is tot op de dag van vandaag schier onuitputtelijk.

We hebben allemaal overtuigingen die we ons zonder goede redenen eigen maakten. Zelfs zeer verstandige mensen, onder wie wetenschappelijk geschoolde academici, kunnen ten prooi vallen aan compleet onzinnige overtuigingen. Gelukkig zijn de meeste ervan vrij onschuldig, maar ze kunnen ook zeer gevaarlijk zijn. Zo leverden de Protocollen van de Wijzen van Sion stof voor het antisemitisme en de Jodenvervolging in de vorige eeuw.

Het menselijk denken is bijzonder vatbaar voor bijgeloof, valse verbanden en geloof in bovennatuurlijke krachten. De menselijke hersenen zijn immers niet geëvolueerd om te onderzoeken of iets juist is, maar om snel te reageren op prikkels die op gevaar kunnen wijzen. Informatie die op het eerste zicht belangrijk is zet aan tot actie. Zodoende leggen mensen gemakkelijk verbanden die niet stroken met de werkelijkheid.

Gelukkig kunnen we nadenken over het denken zelf. Kritisch denken is de beste garantie tegen zelfbedrog. Behalve voor alledaagse en triviale uitspraken, is het verstandig om een nieuwe opvatting niet te aanvaarden voordat er voldoende en deugdelijke bewijzen zijn. Een dergelijke houding druist echter in tegen onze natuurlijke psychologische neigingen en vergt daarom bewuste oefening.

Hoe moeten we te werk gaan om niet elke bewering voetstoots aan te nemen? Hoe kunnen we desinformatie opsporen en ondeugdelijke argumenten doorprikken? Hoe herkennen we tegenstrijdige beweringen? Wat is een geldige veralgemening of afleiding? Zijn bepaalde vergelijkingen correct of misleidend? Hoeveel afwijkende fouten volstaan om een theorie onderuit te halen?

Als doorwinterde sceptici leggen de auteurs verschillende bizarre beweringen langs de lat van het kritische denken. Ze lichten de basismechanismen toe van kritisch denken en verschaffen tevens een aantal vuistregels om ondeugdelijke opvattingen te herkennen. Hiervoor steunen ze op de resultaten van doorgedreven onderzoek in de cognitieve psychologie. Dit maakt duidelijk hoezeer ons denken vatbaar is voor illusies en vooringenomenheden.

Zo maken ze duidelijk hoe complottheorieën drijven op de neiging van mensen om conclusies te trekken op basis van oppervlakkige verbanden. Ze ontrafelen de mysteries rond fabeldieren en monsters zoals Bigfoot en het monster van Loch Ness. Ze leggen uit hoe ons geheugen ons in de maling kan nemen en opzadelen met verdrongen herinneringen. En ze tonen aan hoe gemakkelijk mensen in een goed voorbereide hoax kunnen tuinen.

U leert waarom u geen geloof moet hechten aan theorieën die gebaseerd zijn op religieuze geschriften, zoals het creationisme. U krijgt een rondleiding in het wetenschappelijk onderzoek naar mirakels, bijna-doodervaringen, leven na de dood en bidden voor genezing. U wordt wegwijs gemaakt in de trukendoos van mediums en helderzienden. En u leert de strategieën doorzien van pseudowetenschappers waarmee ze zich indekken tegen mogelijke ontkrachting en interne contradicties.

In de bespreking van het postmodernisme wordt tot slot duidelijk dat kritisch denken niet gelijk staat aan alles relativeren en onophoudelijk in vraag stellen. Kritische denkers staan wel sceptisch tegenover theorieën en praktijken die in strijd zijn met wetenschappelijke inzichten of die de wetenschappelijke methodologie aan hun laars lappen. Ze worden daardoor vaak beschouwd als tegendraadse lastposten en onverdraagzame wetenschapsfundamentalisten. Toch verplichten zij niemand om inzichten te aanvaarden die botsen met de eigen diepste overtuigingen.

In De ongelovige Thomas heeft een punt komt uiteraard niet het hele domein van pseudowetenschap en bizarre overtuigingen aan bod. De auteurs hebben een keuze gemaakt uit de meest gangbare onzinnige theorieën en verwijzen naar andere lectuur voor wie zich daarin wil verdiepen. Ze willen een handleiding aanreiken, waarmee waarschijnlijke van minder waarschijnlijke beweringen kunnen onderscheiden worden en drogredeneringen kunnen herkend worden. Daarin zijn ze met glans geslaagd.

Een rechtgeaarde gelovige zal dit boek wellicht links laten liggen. Het is echter warm aanbevolen aan iedereen die zichzelf niet goedgelovig vindt en, zoals de apostel Thomas, zich liever niet laat vangen door loze beweringen. De tekst is bovendien helder en onderhoudend geschreven en vlot te lezen. Alleen het laatste hoofdstuk over het postmodernisme is minder toegankelijk voor de modale lezer.

© Minervaria

Written by minervaria

29 juli 2015 at 00:03

Geplaatst in Filosofie, Wetenschap

Vergeten koninkrijken

leave a comment »

DaviesN13DAVIES, N., Vergeten koninkrijken. De verborgen geschiedenis van Europa. (Vert. Vanished Kingdoms, 2011) A’pen, Uitg. De Bezige Bij, 2013 (2e dr.), 877 pp. – ISBN 978 90 8542 381 2

Tolosa, Alt Clud, Sabaudia, Borussia … het zegt u misschien niets. Maar Toulouse, Savoye en Pruisen kent u zeker en de Firth of Clyde wellicht ook. Ooit gaven deze plaatsen hun naam aan bloeiende staten die verdwenen zijn in de vergeetput van de geschiedenis. Ze zijn uit het collectieve geheugen gewist, maar wie weet waar hij moet zoeken vindt altijd restanten.

De Britse historicus Norman Davies verrichtte nauwgezet speurwerk naar een aantal Europese staten die de tand des tijds niet overleefd hebben. Sommige van deze rijken zijn gewoon verdampt, andere werden opgenomen in een groter geheel, weer andere zijn uiteengevallen of verdeeld over andere staten. In een aantal gevallen gebeurde dit op vreedzame wijze, maar vaak was de bevolking het droevige lot beschoren van gewelddadigheden en uitmoording.

Het verhaal vangt aan bij het koninkrijk Tolosa van de Visigoten in de vijfde eeuw n.C. en eindigt met de instorting van de Sovjet-Unie op het einde van de twintigste eeuw. De geschiedenis van deze naties herinnert ons aan de vergankelijkheid van roem en glorie. Alle hedendaagse structuren zullen verdwijnen en plaatsmaken voor andere. Vroeger of later vallen immers àlle staten uiteen. Alleen het ‘hoe’ en ’wanneer’ zijn geheimen van de toekomst.

Met dit magistrale werk heeft Norman Davies een ware krachttoer geleverd. Alleen al het opsporen van de beschikbare gegevens over vijftien verdwenen en vergeten naties moet een monnikenwerk geweest zijn. De ingewikkelde gebieds- en huwelijkspolitiek van heersers en vorstenhuizen in de afgelopen millennia is immers vaak bijna niet te volgen. Met wisselend succes slaagt de auteur erin om deze wirwar aaneen te rijgen tot een coherent verhaal.

Hij beperkt zich bovendien niet tot de geschiedenis, maar trekt ook de aandacht op het contrast en de gelijkenissen tussen de tegenwoordige en de verleden tijd. Zo verwijzen linguïstische kenmerken en verwantschappen naar vroegere staatkundige verbanden, evenals hardnekkige nationalistische sentimenten en sympathieën. En hedendaagse conflicten spelen zich vaak af tegen de achtergrond van gebeurtenissen die eeuwen geleden plaatsvonden.

Als de geschiedenis van Europa u interesseert kunt u niet om deze turf heen. Het is weliswaar geen boek dat u in één adem uitleest, want het is zeer gedetailleerd uitgewerkt en behoeft dus aandachtige lectuur. Dit fascinerende werk zult u echter zeker geregeld ter hand nemen.

© Minervaria

Written by minervaria

15 mei 2014 at 20:08

Het morele landschap

leave a comment »

433563 U0C Harris_Het moreleHARRIS, S., Het morele landschap. Hoe de wetenschap ons de weg kan wijzen. (Vert. The moral landscape. How science can determine human values.) A’dam/A’pen, De Arbeiderspers, 2010, 301 pp. – IBN 978 90 295 7841 7

Mogen homoseksuele mensen seks hebben met elkaar en huwen? Zijn, en zo ja wanneer, abortus en euthanasie geoorloofd? Is seks buiten het huwelijk toegestaan? Mag je een kind lijfstraffen geven? Sedert mensenheugenis wordt er geredetwist over morele kwesties. Ze gaan niet alleen over grote levensvragen, maar ook over details, zoals welke kledij mannen en vrouwen moeten dragen of welk voedsel er al dan niet genuttigd mag worden.

Talloze moraalfilosofen hebben zich de tanden stuk gebeten over hoe mensen dienen te handelen. Volgens de meesten bestaat er geen universele morele waarheid. Er zijn verschillende maatstaven mogelijk om te beoordelen of een handeling goed of slecht is. Ook het overgrote deel van de wetenschappers gelooft dat er geen feitelijke grondslag is om te bepalen wat goed en kwaad is. Daar is Sam Harris het absoluut niet mee eens.

De enige werkelijk begrijpelijke grondslag voor normen en waarden is de zorg voor het welzijn van wezens met bewustzijn, stelt hij. Een opvatting over een goed leven die ingaat tegen het menselijk welzijn, is een vergissing. Menselijk welzijn hangt bovendien volledig af van gebeurtenissen in de wereld en de gesteldheid van het menselijk brein. Dat betekent dat er wel degelijk feitelijke gegevens te achterhalen zijn over wat er moreel goed of verkeerd is. Het is dan ook in principe mogelijk om wetenschappelijke uitspraken te doen over welke handelingen of maatregelen het welzijn dienen.

De neurowetenschappen van moraal en sociale gevoelens staan nog in de kinderschoenen. Maar naarmate de werking van de hersenen beter wordt begrepen zullen de fysische oorzaken van geluk en leed helderder worden. Zo zal duidelijk worden dat er objectief goede en foute antwoorden zijn op vragen over menselijke waarden. En dan zal ook blijken dat sommige individuen of culturen op dit punt absoluut ongelijk hebben.

Hiermee zet Harris zich af tegen de godsdiensten, die menen dat moraal ‘van boven’ komt. Voor wie zich werkelijk zorgen maakt over menselijk welzijn vormen godsdienstige aanspraken en het geloof in een onsterfelijke ziel een nodeloze complicatie van een ethisch vraagstuk. Maar ook zij die menen dat morele waarden cultureel bepaald zijn, hebben ongelijk. Cultureel relativisme tolereert situaties die duidelijk niet bijdragen tot meer menselijk welzijn en soms zelfs pure ellende veroorzaken.

De radicale keuze voor een gevolgenethiek is niet zonder risico. In Het morele landschap verkent Harris de problemen die opduiken wanneer we als moreel doel kiezen voor het maximaliseren van menselijk welzijn. Hij onderneemt verschillende pogingen om goed en kwaad op een objectieve manier te beschrijven en weerlegt uiteenlopende argumenten die zijn stelling zouden kunnen falsifiëren.

Hij ontkracht onder andere een aantal courante misverstanden over de aard van wetenschap. Wetenschap heeft een veel ruimer bereik dan de meesten denken. In de geschiedenis is meermalen gebleken dat wetenschappelijke bevindingen op een dag in de cultuur gaan doorwerken op een manier die niemand verwachtte. Zo zal op termijn ook duidelijk worden dat er geen kloof is tussen wetenschap en moraal en zal moraal een wetenschappelijke basis krijgen.

Dit zal leiden tot een aanzienlijke morele vooruitgang. Een rationeel inzicht in menselijk welzijn zal ons in staat stellen vreedzaam samen te leven met miljarden soortgenoten. Dan is er een gerede kans dat de wereld zich in de toekomst minder druk zal maken over juist of onjuist en zich eenvoudig zal bekommeren om welzijn, zowel van onszelf als van anderen.

Sam Harris is uiteraard niet de eerste die meer welzijn poneert als universele morele maatstaf voor het individueel en collectief handelen. Er valt ook een en ander voor te zeggen. Zijn belangrijkste stelling is dat de (neuro)wetenschap daarover waardevolle inzichten kan verschaffen en dat wetenschap dus wel degelijk een wezenlijke bijdrage kan leveren aan de rechtvaardiging van morele uitspraken. In dit boek probeert hij hiervoor steekhoudende argumenten te leveren.

In dit opzet is hij naar mijn mening echter slechts gedeeltelijk geslaagd. Voor wie al overtuigd is voorziet hij heel zeker in argumenten die deze overtuiging staven. Ik betwijfel echter of anderen zich door zijn betoog zullen laten overtuigen. Hoe terecht zijn stelling ook mag zijn, Harris geeft geen coherent antwoord op de vraag waarom het welzijn van wezens met bewustzijn de universele morele standaard zou moeten zijn.

Maar de belangrijkste tekortkoming is dat hij, zelf neurowetenschapper, jammerlijk faalt in de rationele onderbouwing van zijn opzet: dat er een wetenschappelijke basis is voor een universele moraal van het welzijn. In de plaats daarvan verschiet hij zijn kruit aan een pamflettaire strijd tegen de godsdienst, die alleen zal aanslaan bij diegenen die toch haar toch al niet genegen zijn. Zijn kritiek op het cultureel relativisme is dan weer steviger uitgewerkt.

Ondanks voorgaande bedenkingen vond ik de lectuur van Het morele landschap geen verloren tijd. Het betoog is weliswaar warrig en bijwijlen lastig te volgen. Maar het stelt relevante vragen over morele waarheden en doet op zijn minst nadenken over de mogelijke bijdrage van de wetenschap aan de antwoorden. En laat dit nu net de bedoeling zijn van de auteur.

© Minervaria

Written by minervaria

10 januari 2014 at 22:13

Geplaatst in Ethiek, Wetenschap