Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Cultuur’ Category

Regen

leave a comment »

barnettc15BARNETT, C., Regen. Een natuur- en cultuurgeschiedenis. (Vert. Rain – A Natural and Cultural History, 2015) Utrecht/A’pen, Kosmos Uitgevers, 2015, 383 pp. – ISBN 978 90 215 5931 5

Onlangs heeft de Chinese regering een project goedgekeurd om een kunstmatige regenzone te creëren boven een gebied dat twee keer de oppervlakte van Frankrijk omvat. Dit zou de droogte in de noordwestelijke provincies van het land moeten helpen aanpakken. In een aantal steden zou de technologie al gebruikt zijn om de zware vervuiling uit de lucht te spoelen.

In zijn eeuwige gevecht met het weer heeft de mens steeds geprobeerd om regenval te voorspellen en te beheersen. Regen is immers van cruciaal belang voor de mens. De menselijke geschiedenis is diepgaand verbonden met regenval en droogte. Zonder regen was er om te beginnen helemaal geen mens geweest. En de opkomst en ondergang van grote beschavingen wereldwijd houdt gelijke tred met aanhoudende droogte of regenval.

Regen speelt een sleutelrol in de meeste godsdienstige tradities. Hij wordt beschouwd als een zegen of vloek van de goden. Mensen onderhouden een grote verscheidenheid aan rituelen om regen af te smeken of om ze te doen ophouden. Er valt een verband aan te tonen tussen de extreme regenval in de late Middeleeuwen en de heksenvervolging.

Reeds in de negentiende eeuw probeerden regenmakers om droogte te bestrijden door het kunstmatig opwekken van regen. Hun interventies waren vaak oplichterij, maar ze waren wel de aanzet tot wetenschappelijk gefundeerde pogingen om regen op te wekken. Dit is geen sinecure, want regen en sneeuw horen bij de meest onvoorspelbare weersfenomenen. Zelfs de moderne wetenschappelijke meteorologie slaat geregeld de bal mis.

Elders levert de mens dan weer een gevecht tegen overvloedige regenval. Wetenschappers, ingenieurs en technici proberen daar de regen in te dammen en in banen te leiden. Dat verloopt niet altijd zonder problemen, want het kan de natuurlijke afloop van regen verhinderen. Ook de toenemende verstedelijking leidt soms tot catastrofale overstromingen op de ene plaats en watertekort op de andere. Hetzelfde geldt voor de klimaatverandering.

Maar regen is niet alleen de oorzaak van een veelvoud van rampen. Wist u dat u het aan de regen te danken hebt, als u onder een azuurblauwe hemel geniet van een stralende zon? Had u er enig idee van dat het, behalve de figuurlijke pijpenstelen, ook letterlijk kikkers en vissen kan regenen? En wist u dat regen ook een geur heeft die men chemisch kan analyseren? Aan de regen hebben wij de uitvinding te danken van waterdichte kledij, van de ruitenwisser en van de paraplu. En regen is een uitgelezen inspiratiebron voor kunstenaars van verschillende pluimage.

Dit boeiende boek over Regen bevat een schat van meer en minder bekende feiten over dit grillige en vaak vervelende weersverschijnsel. Het zou nog meer waarde gehad hebben als de uitwerking van de thema’s zich niet beperkte tot de Noord-Amerikaanse situatie.

Het is geschreven in een bijwijlen poëtische taal en dus, ondanks de soms beroerde Nederlandse vertaling, heel aangenaam om te lezen.

© Minervaria

Written by minervaria

6 februari 2017 at 16:38

Geplaatst in Cultuur, Natuurwetenschappen

Tagged with

Sapiens

leave a comment »

HARARI, Y.N., Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid. (Vert. From Animals into Gods. A Brief History of Humankind, 2012) A’dam, Uitg.0 Thomas Rap, 2016 (8e dr.), 462 pp. – ISBN 978 94 004 0310 9

Het wordt steeds duidelijker dat er gedurende ongeveer twee miljoen jaar verschillende mensensoorten tegelijk leefden. Hoe komt het dat slechts een ervan is overgebleven? Hoe heeft Homo Sapiens alle andere mensensoorten de vergetelheid in gedrukt? Wat was het geheim van zijn succes?

Volgens Yuval Noah Harari, professor geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, heeft Sapiens de wereld veroverd omdat hij een unieke taal beheerste. Hiermee kon hij niet alleen de waarneembare werkelijkheid benoemen, maar ook een imaginaire realiteit oproepen. Door zijn superieure cognitieve vermogens kon Homo Sapiens de beperkingen van de biologie overstijgen. Hij vertelde verhalen en creëerde gemeenschappelijke mythen die hem in staat stelden om in grotere groepen te leven en samen te werken, handel te drijven en informatie uit te wisselen.

De opkomst van nieuwe manieren van denken en communiceren gaf ongeveer zeventigduizend jaar geleden de aftrap voor de cognitieve revolutie. De rondtrekkende groepen sapiens met hun verhalen begonnen de wereld in snel tempo te koloniseren. De eerste golf van sapienskolonisatie veroorzaakte een van de grootste ecologische rampen van de geschiedenis van de aarde. Lang voordat het eerste boerendorpje werd gebouwd waren nagenoeg alle grote diersoorten verdwenen.

Nadat hij als enige van zijn soort overbleef, begon de mens te knutselen aan de levensloop van een paar planten- en diersoorten. Zo’n twaalfduizend jaar geleden veranderde de agrarische revolutie de wereld nog veel ingrijpender. Voor de meeste mensen viel dit allesbehalve positief uit. Landbouw verzwaarde het bestaan van mensen en ging gepaard met veel persoonlijk leed.

De agrarische gemeenschappen waren immers patriarchale systemen die dreven op hiërarchie en onderdrukking. Ze maakten daarvoor gebruik van gemeenschappelijke mythes, zoals religieuze stelsels, die het geloof in een bovenmenselijke orde voorhielden. Het schrift en een geldeconomie lieten mensen toe zich te organiseren in steeds grotere samenwerkingsverbanden. Zo ontstonden wereldrijken en groeide de collectieve macht van mensen dramatisch.

Ongeveer vijfhonderd jaar geleden begon de derde omwenteling, de wetenschappelijke revolutie. Deze begon in West-Europa en ging hand in hand met de opkomst van het kapitalisme en van het moderne imperialisme. De Europese ontdekkingsreizen werden gestuurd door het rusteloze gevoel dat er achter de horizon misschien iets belangwekkends te ontdekken viel. En daarvoor waren uiteraard veel geld en investeringen nodig.

De wetenschappelijke revolutie vormde de basis voor de industriële en later technologische revolutie. Deze bracht de wereld in een stroomversnelling. De technologische revolutie wordt een doorlopende revolutie. Ze gaf de aanzet tot een explosie van menselijke productiviteit en heeft tientallen grote omwentelingen in de menselijke samenleving teweeggebracht. Sapiens wordt steeds minder de speelbal van de grillen van de natuur. En omdat we evolueren naar één mensheid is er minder oorlog en meer internationale vrede.

Maar die winst heeft een keerzijde. Het imperialisme bracht inheemse volkeren onnoemelijk veel leed toe. De wilde wereld gaat ten onder aan ecologisch verval. De kweek van dieren op industriële schaal geeft aanleiding tot onvoorstelbaar dierenleed en ongebreideld consumentisme. Mensen moeten zich steeds meer plooien naar industrie en overheid. En er is geen enkele aanwijzing dat mensen nu gelukkiger zijn.

En wat staat de mensheid nog te wachten? Sapiens heeft een begin gemaakt met het doorbreken van de wetten van de natuurlijke selectie en ze te vervangen door deze van ‘intelligent design’. Zal sapiens zijn eigen opvolger creëren die hem zal vervangen? Staat ons een toekomst te wachten van cyborgs? Wordt dit het einde van Homo Sapiens?

Homo Sapiens heeft zijn succes te danken aan zijn vermogen om een alternatieve wereld te creëren. Cultuur is de drijvende kracht achter de geschiedenis van de mensheid. Niet iedereen zal het met deze stelling eens zijn, maar Harari toont met verve aan dat dit zeker een belangrijke factor is. Zijn betoog wordt bijzonder goed onderbouwd met originele en gedurfde redeneringen. Een triomfantelijk verhaal is het echter niet geworden. Het sapiensregime heeft helaas weinig voortgebracht om trots op te zijn, stelt Yuval Harari ietwat mismoedig vast.

Dat oordeel geldt in ieder geval niet voor zijn boek, dat met recht een meesterwerk kan genoemd worden. Ook wie met het onderwerp vertrouwd is, doet er heel wat intrigerende en vernieuwende inzichten op. Het werk is bovendien zeer toegankelijk geschreven. Sapiens is genieten van begin tot eind.

© Minervaria

Written by minervaria

13 augustus 2016 at 19:12

Geplaatst in Cultuur, Geschiedenis

De cultuur van middeleeuws Europa

leave a comment »

LE GOFF, J., De cultuur van middeleeuws Europa. (Vert. La civilisation de l’Occident médiéval, 1984) A’dam, Uitg. Wereldbibliotheek, 1987, 503 pp. – ISBN 90 284 1521 1

Rijzige belforten en kathedralen, imposante burchten en vestingen, verfijnde miniaturen, prachtige schilderijen en beeldhouwwerken. Een aanzienlijk deel van ons erfgoed dateert uit de middeleeuwen. Maar wat zeggen gebouwen, geschriften en kunstwerken over de mensen zelf? Hoe leefden en dachten de middeleeuwers? En hoe kunnen wij daar een beeld van krijgen?

De nagelaten teksten onthullen slechts de cultuur van een zeer beperkte groep in de middeleeuwse samenleving. De doorsnee middeleeuwer, zowel edelman als boer, was immers ongeletterd. In De cultuur van middeleeuws Europa doet Jacques Le Goff een poging om door te dringen tot deze wereld, die niet de mogelijkheid bezat om zich schriftelijk uit te drukken. Hij maakte dan ook niet alleen gebruik van de gangbare schriftelijke bronnen, maar verwerkte de bevindingen van verscheidene wetenschappen, zoals de archeologie, de sociale wetenschappen, de antropologie en de etnologie. Ook de elitaire kunstuitingen, de schilderijen, boekverluchtingen, de reliëfs en majestueuze gebouwen, onthullen ons heel wat over de leef- en denkwereld van de middeleeuwse mens.

In dit monumentale werk krijgen we een zowel ruim als diepgaand beeld van de wijze waarop de mensen van hoog tot laag zich handhaafden in een schaarstesamenleving. De middeleeuwen waren niet alleen een donkere periode voor de wetenschap, maar vooral voor de doorsnee middeleeuwer. De meeste mensen leefden voortdurend op de rand van het bestaansminimum en kregen te stellen met herhaalde misoogsten, ziekten, natuurrampen en oorlogsgeweld. Dit sombere beeld van de middeleeuwen druist regelrecht in tegen de negentiende-eeuwse romantische voorstellingen van de middeleeuwen als lichtende bakermat van de christelijke beschaving.

In het eerste deel schetst Le Goff de hoofdlijnen van de economische, sociale en  politieke geschiedenis van het Westen van de vierde tot de veertiende eeuw. Middeleeuws Europa verrees op de ruïnes van het Romeinse rijk. Aan het eind van de 5e eeuw stortte het ineen onder druk van de massale invallen van de Germaanse stammen aan zijn grenzen. Het gevolg was dat de bevolking uit de steden wegtrok en zich vestigde op het platteland. De rijke stedelingen verschansten zich op hun domeinen en de armen zochten hun toevlucht op de domeinen van de rijken. Zo werd de basis gelegd van de middeleeuwse feodale samenleving.

De structuur en het functioneren van dat soort samenleving maakt de cultuur van de middeleeuwen begrijpelijk. Die wordt in het tweede deel van het boek uitgebreid geëxploreerd. De middeleeuwse mens leefde in een hiërarchisch geordende gemeenschap waarin het individu totaal ondergeschikt was aan de groep: de familie, de clan, de heerlijkheid. Iedere mens zat aan alle kanten verstrikt in een netwerk van verplichtingen dat hem dwong tot gehoorzaamheid, onderwerping en solidariteit. De middeleeuwer had geen enkel besef van vrijheid in de moderne betekenis van het woord.

In deze uitermate behoudsgezinde samenleving had iedereen een voorbeschikte plaats en bestemming, een idee dat door het christendom gretig werd ondersteund. Het christelijke geloof legitimeerde de onwrikbare standenmaatschappij, de tweehoofdige leiding op aarde van paus en keizer, de verhouding tussen het individu en de gemeenschap, de gezinsrelaties en de positie van man, vrouw en kind. Le Goff bespreekt de machtsverhoudingen in steden en dorpen, de positie van de stedelijke gemeenschap ten opzichte van het platteland, de rol van de Kerk en de kerken als instituten en de functie van het koningschap. De brandpunten van het sociale leven komen uitgebreid aan de orde: kerken, kastelen, molens, kroegen als ontmoetingsplaatsen. Ook de marginalen, de ketters, leprozen, joden, tovenaars, homoseksuelen, zieken, vreemdelingen en maatschappelijk onaangepasten hadden een functie in de christelijke middeleeuwse maatschappij.

Jacques Le Goff geeft een indingend beeld van de volkscultuur van een analfabete massa in een hoogst wisselvallig bestaan. Voor de middeleeuwers was de wereld een tranendal waarin men zo goed en zo kwaad moest zien te overleven. Hun mentaliteit en belevingswereld werden bepaald door onzekerheid en onveiligheid en door de noodzaak om zijn angsten onder controle te krijgen. Mensen waren zeer gevoelig voor symboliek, geloofden rotsvast in buiten- en bovennatuurlijke werelden en zochten houvast in mirakels en godsoordelen. De middeleeuwers stelden al hun hoop op het hiernamaals, waarin uiteindelijk rechtvaardigheid zou heersen.

Verder rekent Le Goff af met het wijdverspreide romantische idee dat de middeleeuwse wereld een eenheid vormde en dat de middeleeuwer een wereldburger was. Middeleeuwers waren weliswaar veel minder honkvast dan de moderne Europeaan, maar dat had niet zozeer te maken met een kosmopolitische instelling als wel met een hoogst onzeker bestaan en het feit dat men toch al zeer weinig bezat. Het middeleeuwse Europa was een lappendeken van relatief autonome streken, de mensen leefden vooral in kleine entiteiten en er werden tientallen verschillende talen gesproken. De werkelijkheid was veel banaler dan bevlogen nationalisten, die zich vaak beroepen op een groots middeleeuws verleden, het voorstellen.

Hoewel dit werk reeds meer dan 30 jaar geleden werd geschreven, is het de moeite meer dan waard. Het is geschreven door een eminente historicus, op basis van een diepgaande studie van veelzijdig en origineel bronnenmateriaal. De tekst laat zich zeer vlot lezen en wordt geregeld verlucht met zeer instructieve illustraties, zoals geografische kaarten, plattegronden van abdijen en kerken, steden en dorpen, kaarten van slagvelden. Dit werk heeft me van begin tot einde kunnen boeien.

@  Minervaria

Written by minervaria

8 juni 2012 at 20:48

Beschaving

with one comment

FERGUSON, N., Beschaving. Het Westen en de rest. (Vert. Civilization, 2011) A’dam/A’pen, Uitg. Contact, 2011, 431 pp. – ISBN 978 90 254 3276 8

Vorig jaar nam Geely Volvo Car Corporation over van Ford. Twee Chinese autobedrijven deden al een bod op het Zweedse Saab. Als de deal doorgaat verzeilt een tweede Zweedse autobouwer onder Chinese vleugels. En onlangs hebben Geely en een andere Chinese autofabrikant hun oog laten vallen op de Opelfabriek in Antwerpen.

De opkomende macht van China wordt met argusogen gevolgd. Terwijl de ontwikkelde wereld op de rand van een tweede Grote Depressie wankelde, ervoer China niet veel meer dan een kleine vertraging in de groei. Luidt dit het einde in van het Westen en de komst van een nieuw Oosters tijdperk, zoals Kishore Mahbuhbani voorspelde in De eeuw van Azië? Beleven we dan toch het einde van 500 jaar Westerse dominantie?

Misschien kunnen we meer doen dan koffiedik kijken als we die lange periode van Westerse suprematie kunnen verklaren, zegt historicus Niall Ferguson. Hij is zeker niet de eerste. Anderen, waaronder David Landes en Jared Diamond, gingen hem voor. Maar Ferguson meent dat hij aan hun bevindingen een aantal essentiële zaken kan toevoegen. Volgens hem heeft de 500-jarige voorsprong van West-Europa niet enkel te maken met geografische ligging, culturele kenmerken of de ontwikkeling van techniek, maar met een complex systeem van instituties, dat hij beschaving noemt.

Beschavingen zijn veel meer dan majestueuze gebouwen, schitterende kunstwerken of een verfijnde leefstijl. Een beschaving is de grootste eenheid van menselijke organisatie. Het is een praktische en culturele reactie van menselijke populaties op hun omgeving, vaak met een gedeelde religie en taalgemeenschappen. Iedere tijdsperiode kent slechts een beperkt aantal beschavingen. De interacties van deze beschavingen waren altijd een belangrijke drijvende kracht van historische verandering.

Vanaf de vijftiende eeuw brachten de kleine staatjes van West-Europa een beschaving voort die de hele wereld kon veroveren en onderwerpen. Ze slaagden er bovendien in om volkeren over de hele wereld tot de westerse manier van leven te bekeren. In de praktijk is het grootste deel van de wereld inmiddels geïntegreerd in een Westers economisch systeem. En de Westerse politieke organisatie wordt door steeds meer landen min of meer overgenomen.

Wat had de beschaving van West-Europa na de 15e eeuw dat haar in staat stelde de superieure Rijken van het Oosten te overtroeven? Zes instituties zijn kenmerkend voor de wijze waarop het Westen de uitdagingen aanging waarvoor iedere beschaving staat. In evenveel hoofdstukken toont Ferguson aan hoe deze instellingen de West-Europese staten een voorsprong gaven op andere beschavingen.

In de eerste plaats stimuleerde de politieke versplintering van West-Europa de concurrentie tussen de staten. De Europeanen zochten economische, geopolitieke en religieuze kansen in verre landen. Het toen superieure China sloot het land en zijn inwoners echter op in zelfgenoegzaamheid. De ontwikkeling van de natuurwetenschappen leverde het Westen een tweede voordeel. De moslimwereld daarentegen raakte haar wetenschappelijke voorsprong kwijt door de schier onbeperkte heerschappij van de religie. De derde sterkte bestaat uit de rechtsorde, een representatieve regering en particuliere eigendomsrechten. De uiteenlopende ontwikkeling van de beide Amerika’s illustreert hoe het Britse model van breed verspreide eigendomsrechten en democratie beduidend beter werkte dan het Spaanse model van geconcentreerde rijkdom en een autoritair systeem.

De vierde Westerse institutie, de moderne geneeskunde, heeft de levensverwachting van mensen overal ter wereld beduidend verhoogd. Het vijfde kenmerk is de mogelijkheid voor grote groepen mensen om zich consumptiegoederen aan te schaffen. Dit is het resultaat van de voortschrijdende technologische ontwikkeling, die begon met de Industriële Revolutie in West-Europa. Het Westerse arbeidsethos is het zesde kenmerk. Die maakt de vrije markteconomie mogelijk, waarin steeds meer mensen kunnen sparen en over kapitaal beschikken.

Ferguson noemt de opkomst van het Westen het belangrijkste historische verschijnsel in de tweede helft van het tweede millennium van onze tijdrekening. Dat is echter geen reden om triomfantelijk te doen en ongenuanceerd de loftrompet te steken over de Westerse beschaving. Haar opkomst was immers niet mogelijk geweest zonder de toevallige gelijktijdige zwakte van haar rivalen.

Maar beschavingen hebben niet het eeuwige leven. Ook de Westerse beschaving is al eens eerder in verval geraakt en ten onder gegaan. Staat ons dat binnenkort ook te wachten? Het is moeilijk om dat te voorspellen. Beschavingen zijn complexe systemen, en als zodanig vergelijkbaar met complexe natuurkundige systemen. Ze functioneren ergens tussen orde en wanorde en hebben de neiging om tamelijk plotseling van stabiliteit naar instabiliteit over te gaan.

Kan er iets ondernomen worden om de westerse beschaving voor zulk onheil te behoeden? Niall Ferguson blijft hoopvol. Wat we nu doormaken is het einde van 500 jaar van westerse dominantie. Maar we hoeven niet te overheersen om te blijven bestaan. De westerse beschaving is verre van perfect en haar geschiedenis omvat zeer veel zwarte bladzijden. Toch nemen steeds meer samenlevingen vrijwillig de kenmerken ervan over. Het lijkt erop dat dit Westerse pakket voorlopig de best beschikbare reeks economische, sociale en politieke instituties biedt voor individuen en samenlevingen.

Ferguson besluit: “Misschien is de echte dreiging niet de opkomst van China, de islam of CO2-emissies, maar het verlies van ons geloof in de beschaving die we van onze voorouders hebben geërfd.”.

Veel van de inzichten in dit boek zijn niet nieuw. Bij verschillende hoofdstukken beleefde ik een déja-vu. De meeste thema’s werden ook al door onder andere David Landes, Jared Diamond en Francis Fukuyama aangesneden en uitgewerkt. Het is de verdienste van Niall Ferguson dat hij ze in de ruimere context van een beschaving heeft geplaatst. Zijn werk was echter heel wat toegankelijker geweest indien hij zich minder had vastgebeten in gedetailleerde beschrijvingen en meer aandacht had gehad voor het globale plaatje. Van de boeiende vergelijking tussen beschavingen en natuurkundige systemen daarentegen heb ik volop genoten.

© Minervaria

Written by minervaria

5 april 2012 at 20:29

De eeuwige terugkeer van het fascisme

leave a comment »

RIEMEN, R., De eeuwige terugkeer van het fascisme. A’dam/A’pen, Uitg. Atlas, 2010, 62 pp. – ISBN 978 90 450 1856 0

In de afgelopen decennia zijn in Europa verschillende bewegingen en partijen opgestaan die een gedachtegang hanteren die herinnert aan de fascistische bewegingen van de twintigste eeuw. Toch wordt iedere verwijzing naar een analogie met de gebeurtenissen voor en tijdens de tweede wereldoorlog uit alle macht bestreden. De nieuwe strekkingen worden niet fascistisch genoemd, maar extreem-rechts, rechts-extremisme, radicaal-rechts of populisme. Op het woord fascisme rust een taboe.

Toch is het fascisme met het einde van de oorlog niet verdwenen, integendeel, het is helemaal terug. In de huidige politieke realiteit ontwaart cultuurfilosoof Rob Riemen duidelijke parallellen met de opkomst van het fascisme in de periode tussen de twee wereldoorlogen. Weer is er een vijand van de eigenheid van het volk opgedoken. Er wordt alarm geslagen omdat Europa bedreigd wordt door de islam en de islamisering. Men beweert op te komen voor het behoud van Europese waarden en tradities.

Niet het islamitische fundamentalisme echter, maar de groeiende debilisering van onze samenleving vormt de echte dreiging, zegt Riemen. De traditionele Europese waarden gaan over persoonlijke vrijheid, nadenken en een onafhankelijke geest. Die hebben echter plaats gemaakt voor de cultus van het ressentiment en de leegte van de massamaatschappij. Deze beschavingscrisis vormt een vruchtbare voedingsbodem voor het fascisme.

Riemen citeert de waarschuwingen van vooraanstaande schrijvers in het interbellum, zoals Albert Camus en Thomas Mann. Ook toen kon het fascisme groot worden omdat de maatschappelijke en politieke elites zowel ter linker- als ter rechterzijde hun eigen gedachtengoed hadden verraden. Ze hebben de mensen in de steek gelaten en niet naar hun grieven geluisterd. Voor de opkomst van het nieuwe fascisme is dus iedereen verantwoordelijk.

In dit cultuurfilosofisch essay noemt Rob Riemen een kat een kat. Van het hedendaagse fascisme zijn Geert Wilders en zijn beweging het prototype, stelt hij. Het mag alleen niet zo benoemd worden. Hierbij moet aangetekend worden dat hij de term fascisme in de ruime betekenis hanteert en niet beperkt tot de Italiaanse beweging onder leiding van Mussolini.
Hij tekent een rake schets van de moderne massacultuur en consumptiedemocratie. Met vuur weerlegt en doorprikt hij de populistische slogans van de PVV over de vermeende dreiging van islamisering. En hij wijst erop dat in de massademocratie het gevaar voor fascisme altijd virulent aanwezig zal zijn, tenzij we ons leven weer willen wijden aan wat hij pathetisch ‘waarheid, goedheid, schoonheid, vriendschap, rechtvaardigheid, compassie en wijsheid’ noemt.
Dit vind ik de sterke punten in dit essay en ik kan deze voluit bijtreden.

Het gemak waarmee Riemen zich bezondigt aan datgene wat hij de politieke elites verwijt vind ik evenwel storend. Wie de moderne mens zonder enige nuance bestempelt als een massamens, met een gebrek aan geest, vervuld van zichzelf en onwetend over de tragiek van het bestaan, vervalt snel zelf in een elitair vertoog. Dat deed mij denken aan conservatieve filosofen, die vaak balanceren op de rand van doemdenken en vervlogen tijden idealiseren. De geschiedenis wijst echter uit dat heimwee naar een ‘verloren paradijs’ een samenleving, in plaats van open en vrij, juist bekrompen kan maken en rijp voor fascistisch gedachtegoed.

© Minervaria

Lees ook:

Written by minervaria

24 januari 2011 at 20:34

Geplaatst in Cultuur, Filosofie, Politiek

De begrafenis van God

leave a comment »

WILSON, A.N., De begrafenis van God. De ondergang van het geloof in de westerse beschaving. (Vert. God’s Funeral. The Decline of Faith in Western Civilization) A’dam, Prometheus, 2000, 418 pp. – ISBN 90 5333 889 6

“De kwestie-God wil maar niet verdwijnen”, stelt Andrew Norman Wilson. Tien jaar later is dit nog altijd zo. God blijft stevig overeind. Uit opiniepeilingen blijkt dat de meerderheid van de mensen nog steeds in God gelooft. Voor veel mensen telt en werkt het oude verhaal nog steeds. Ongeacht of het bestaan van God kan bewezen worden heeft godsdienst voor de meeste mensen nog zin.

En toch staat het bestaan van God in het Westen al een paar eeuwen onder druk. Vanaf de 17e eeuw werden steeds meer wetenschappelijke ontdekkingen gedaan die twijfels opriepen over de waarheid van de aanspraken van het godsdienstig geloof. De fatale klap voor het creationistische wereldbeeld was de publicatie van The Origin of Species door Charles Darwinin 1859. Deze gebeurtenis veegde de religieuze grond onder de voeten van het intellectuele Westen weg.

Voor wie in de tweede helft van de 20e eeuw geboren is valt het moeilijk zich voor te stellen hoe groot toen de ontreddering was bij de intellectuele en later ook de gewone mens. Konden eerlijke mannen en vrouwen in alle eerlijkheid nog volhouden dat ze geloofden in de onfeilbare waarheid van de Heilige Schrift als het geïnspireerde woord van God? Tussen 1908 en 1910 schreef de Engelse dichter Thomas Hardy een gedicht waarin hij zich verbeeldde dat hij de begrafenis van God bijwoonde. Het is een immens verdrietig gedicht waarin het besef van een groot verlies de boventoon voert.

In De begrafenis van God beschrijft Andrew Norman Wilson hoe onder andere de filosofen Karl Marx en Herbert Spencer, de schrijver George Elliot en de psychiater Sigmund Freud heftig worstelden met het verlies van hun geloof in God en hun strijd met de kerk. God en godsdienst waren in de 19e eeuwse Victoriaanse samenleving zo sterk verankerd dat leven zonder religie verre van eenvoudig was. Het overboord gooien van de traditionele geloofsovertuigingen was voor velen een uitdagend avontuur en de verkenning van nieuwe horizonten. Maar voor velen was het ook een pijnlijk afscheid en besef van een diep verlies.

De vraag hoe religie behouden kon worden zonder het opofferen van intellectuele integriteit mondde op het einde van de 19e eeuw uit in de modernistische beweging. De modernisten streefden ernaar religie en het moderne leven verenigbaar te maken. Zij werden echter door de katholieke kerk met kracht bestreden. In de heksenjacht onder Pius X hebben ze de strijd met de kerk uiteindelijk verloren. Verschillende vertegenwoordigers werden geëxcommuniceerd, in die tijd een verschrikkelijke straf. Het verhaal klinkt bekend: wie in de kerk van binnenuit veranderingen wil bewerkstelligen komt meestal van een koude kermis thuis.

Op basis van de titel en de achterflap verwachtte ik een thematische studie van de teloorgang van het godsgeloof in de 19e eeuw. Wilson beperkt zich echter tot de beschrijving van de individuele zoektocht van meer en minder notoire figuren uit de Victoriaanse tijd. Op zich is dit een ambitieuze onderneming, want ze vereist grondige kennis en studie van de (auto)biografische geschriften van deze personen. Maar het zegt niet zo veel over de ondergang van het geloof in de Westerse beschaving als geheel, omdat hij zich beperkt tot de intelligentsia van die tijd.

Wilson levert het bewijs van een haast encyclopedische kennis van het literaire en filosofische leven in de Victoriaanse tijd. Van een biografische specialist mag je dit natuurlijk verwachten. Dit maakt het boek naar mijn mening echter alleen te smaken voor wie grondig vertrouwd is met het – vooral Britse – filosofische en culturele leven in de 19e eeuw. Over die specifieke voorkennis beschikt de doorsnee lezer niet.

Al kan de zwierige literaire stijl van Wilson me wel bekoren, hij slaagt er niet in zijn gegevens ordelijk te presenteren. Hij verliest zich voortdurend in anekdotes die hij, zeker voor de minder onderlegde lezer, onvoldoende kadert.

De lectuur van dit boek heeft wel een onbedoeld effect gehad. Ik heb me voorgenomen om enkele Britse Victoriaanse romans te lezen die al heel lang op mijn leeslijst staan.

© Minervaria

Written by minervaria

14 januari 2010 at 15:04

Geplaatst in Cultuur, Geschiedenis, Religie

De Verlichting vandaag

leave a comment »

ABICHT, L., De Verlichting vandaag. A’pen,/A’dam, Uitg. Houtekiet, 2007, 199 pp. – ISBN 978 90 5240 927 6

De denkers van de As-tijd, de periode tussen 900 en 200 v.C., hadden het voor het eerst over de Verlichting van het individu en de samenleving. Het hoogste goed voor de mens, zo stelden ze, is zijn leven in dienst te stellen van het mededogen met andere mensen. De grote georganiseerde godsdiensten hebben deze wijsheid op hun eigen manier opgeëist en ingevuld.

Door de West-Europese Verlichting is deze invulling in vraag gesteld en afgewezen. Volgens de Verlichte denkers is de mens begaafd met rede en vrije wil. Hij is het aan zichzelf en zijn medemensen verplicht deze eigenschappen zo goed en zo autonoom mogelijk te gebruiken. Het autonome gebruik van de rede staat gelijk met vrijheid, zelfstandigheid en volwassenheid. De Verlichting heeft daarmee de suprematie van de religie in het Westen doorbroken. Het primaat van de rede staat ook aan de basis van de bloei van het wetenschappelijke denken en de technologie. Een nieuw tijdperk was begonnen waarin de belofte van een grootse toekomst besloten lag.

Toch heeft de Verlichting de mensheid niet het heil gebracht dat ze beloofde. In naam van de grote principes Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid brachten de voorbije eeuwen wel de huidige democratieën voort, maar ook het brutale kolonialisme en een aantal totalitaire regimes die zich aan gruwelijke genociden te buiten gingen. Uiteraard waren de meeste daders uitgesproken vijanden van de Verlichtingsideeën en het democratische systeem. Toch werden deze misdaden door verbazend veel mensen geduld en in veel gevallen zelfs verdedigd of toegejuicht. Was de historische Verlichting dan niet meer dan de wensdroom van een klein aantal westerse filosofen, kunstenaars en wetgevers die nauwelijks vat hadden op de maatschappelijke realiteit?

De geschiedenis heeft ons geleerd dat het niet volstaat te streven naar een rationele en seculiere samenleving opdat de Verlichtingsideeën zouden bloeien. Zijn ze dan onrealistisch of hopeloos voorbijgestreefd? Hoe kunnen wij het erfgoed van de Verlichting benoemen en in de praktijk brengen zonder weer in excessen te vervallen? Wat kan de Verlichting ons nog leren? In dit boek komen deze vragen aan de orde.

In een eerste hoofdstuk buigt Ludo Abicht zich over de oorsprong, de ontwikkeling en een aantal wezenlijke aspecten van de Verlichting. Daarbij valt op hoe, op basis van dezelfde grote principes, de verschillende denkers er al meteen zeer verscheidene interpretaties op na hielden. Sommige tegenstanders noemen dit een zwakheid, het is echter geheel in de lijn met het primaat van het autonome en zelfstandige denken. Een onderscheid dat later zeer belangrijk zal blijken is dit tussen de radicale en gematigde denkers. Voor radicale Verlichte denkers dienden de theoretische inzichten immers ook op politiek en sociaal vlak in praktijk gebracht te worden. Zij wilden ook de wereldlijke macht inrichten volgens de Verlichtingsideeën. De gematigde denkers, die hun pijlen vooral richtten op de godsdienst, hebben echter het pleit gewonnen. De wereldlijke machthebbers waren zeker in eerste instantie niet geneigd Vrijheid, Gelijkheid en Broederlijkheid voor allen, dus een echte democratie, te realiseren.

Dit is meteen al een van de kritieken die de Verlichting te verwerken kreeg. Deze en andere kritiek behandelt Abicht in het tweede hoofdstuk. Al vanaf het begin van de Verlichting werd zowel uit conservatieve en reactionaire als uit progressieve hoek kritiek geuit en ze is nog steeds actueel. Vandaag zijn verbazend genoeg meer voorstanders van de Verlichting te vinden in het traditioneel rechtse kamp dan in linkse kringen.

Het leeuwendeel van het boek gaat uiteraard over de betekenis die de Verlichting kan hebben voor de moderne, democratische samenleving. In het derde hoofdstuk gaat Abicht op zoek naar die elementen uit de Verlichting die strategisch of pedagogisch nuttig kunnen zijn voor de verdediging van de huidige democratische samenleving en zonder dewelke de democratie gewoonweg niet langer kan bestaan. In navolging van Ernst Bloch toetst hij enkele grote Verlichtingsthema’s op hun actualiteitswaarde, onder andere waarheid en kennis, vrijheid, gelijkheid.

Zijn conclusie is zowel eenvoudig als complex. Het project van de westerse Verlichting heeft zeker niet afgedaan en is nog altijd brandend actueel. In een geglobaliseerde wereld met een grote diversiteit aan levensbeschouwingen en culturen willen alle mensen immers op evenwaardige manier aan bod komen. De Verlichting mag dan wel Europees van oorsprong zijn, ze is ook universalistisch: ze gaat alle mensen overal aan. Bovendien zijn ook in andere culturen en samenlevingen Verlichtingsideeën aanwezig. Abicht noemt het project van de Verlichting het voorlopig beste discussieplatform voor de realisatie van actief en authentiek pluralisme. In de negatieve betekenis betekent dit het afwijzen van elke vorm van fundamentalisme, in de positieve betekenis een poging om op een open en positieve manier met de diversiteit aan levensbeschouwingen en culturen om te gaan.

Huldigt Abicht hiermee niet een al te positieve en dus eenzijdige visie op de mens en de samenleving? Kan de rede het uiteindelijk winnen van bruut geweld of eng groepsgevoel? Recente inzichten in de werking van het brein lijken er immers op te wijzen dat de mens niet in de eerste plaats een redelijk wezen is, maar zich vooral laat leiden door emoties en gevoelens. We leven in een onttoverde, seculiere wereld. Veel mensen voelen zich daarin ontheemd. Mensen blijven immers de vraag stellen naar de zin van het leven en de dood. Volgens Abicht zullen de slaagkansen van een hernieuwde Verlichting afhangen van de mate waarin ze in staat is op een positieve manier op deze reële menselijke vragen en behoeften in te gaan.

Als we het onafgewerkte project van de Verlichting een nieuwe kans willen geven, moeten we de spanningen in een samenleving onder ogen zien en niet verwerpen, en zoeken naar een manier om het midden te houden. En in de geest van de vrije rede, moet al wie met betere voorstellen komt een kans krijgen om anderen van zijn gelijk te overtuigen. Hiermee pleit Abicht voor een echte vrije meningsuiting, die niet wordt ingeperkt door individuele en groepsgevoeligheden. In het licht van meer en minder recente maatregelen, zoals het verbod op negationisme en het hoofddoekenverbod, is dit een zeer belangrijke stellingname.

Actief en authentiek pluralisme is dus geen afgewerkt en onveranderlijk geheel zoals de thora, bijbel of koran. Het is daardoor niet de gemakkelijkste, maar wel de enige weg naar een wereld waarin de waarden van de Verlichting voor alle mensen werkelijkheid kunnen worden. Het is de voorwaarde voor een authentieke democratie en een open samenleving, waarin de macht zo breed mogelijk gespreid is.

Dit boek is een stevig pleidooi voor diversiteit, vrijheid, tolerantie en actief pluralisme. Abicht presenteert een sober en tegelijk diepgaand betoog, dat bovendien zeer leesbaar is geschreven en dus vlot te verwerken. Het is ook zeer degelijk gedocumenteerd.
Een waardevol werk en een echte aanrader!

© Minervaria

Written by minervaria

15 februari 2008 at 22:47

Geplaatst in Cultuur, Filosofie, Politiek

Tagged with