Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Psychiatrie’ Category

Bestaansleegte

with 2 comments

deHeijM13De HEIJ, M., Bestaansleegte. Hoe hechting leegte overwint. Delft, Uitg. Eburon, 2013, 193 pp. – ISBN 97890 5972 795 3

Ingrijpende persoonlijke ervaringen met zware psychische problemen hebben Monique de Heij op een eigen manier doen kijken naar psychische stoornissen. Ze spreekt liever over psychische verstoring, een ontregeling van de psyche. Mensen in ernstige psychische nood leveren een zware en dikwijls eenzame strijd met bestaansangst. Daaraan wordt in de psychiatrie en psychotherapie vaak te weinig aandacht gegeven.

In dit boek koppelt de auteur haar eigen ervaringen aan belangrijke inzichten in de ontwikkeling van kinderen. Ze exploreert de verschillende voorwaarden die een kind in staat stellen om zijn bestaan ten diepste zin te geven en wel en wee in het leven het hoofd te bieden. Angst en bestaansleegte zijn in een mensenleven altijd aanwezig. Maar de mate waarin iemand die kan verdragen hangt af van het basisvertrouwen in zichzelf.

Psychische nood ontstaat wanneer iemand als kind te weinig zorg, empathie en verbinding heeft kunnen ervaren. Dan ontbeert het kind veiligheid en vertrouwen en moet het zijn toevlucht nemen tot overlevingsstrategieën. Een veilige hechting, door aansluiting op wat het kind nodig heeft, geeft het daarentegen het gevoel dat het kan en mag bestaan. Dit legt de basis voor vertrouwen en zelfrespect.

De auteur onderscheidt vier aansluitingsvormen die een kind toelaten om een positief zelfbeeld en een identiteit te vormen. Vervolgens onderneemt ze een poging om bewustzijn te definiëren en de ontwikkeling van zelfbewustzijn te vatten. Ze legt verband tussen hechting en loyaliteit. De loyaliteit van een onveilig gehecht kind kan beschouwd worden als een overlevingsstijl. De symptomen zoals in de DSM beschreven zijn in feite verdedigingspatronen, die vertellen hoe een kind overleefd heeft in een onveilige situatie.

Tenslotte verdiept de auteur zich in de betekenis van bestaansleegte, een toestand die vaak niet begrepen wordt. In de bestaansleegte raakt iemand het contact met de buitenwereld en zichzelf kwijt. De eenzaamheid van die toestand wordt veelal niet begrepen en dit maakt de mens nog kwetsbaarder dan hij al is. Dan juist is het cruciaal dat de kindpositie van de hulpvrager zich tijdelijk mag hechten aan de helper of therapeut.

In tegenstelling tot wat Monique de Heij beweert zijn er waarschijnlijk heel wat psychotherapeuten die dit zullen bevestigen. Haar beeld van psychische hulpverlening als oppervlakkig en ongevoelig lijkt mij toch erg ongenuanceerd. Heel zeker staat men vaak machteloos tegenover ondoorgrondelijk psychisch lijden. Dan is het wel erg jammer dat zij de lezer zelf in het ongewisse laat over de wijze waarop zij die veilige hechting in haar eigen psycho-integratieve benadering toepast.

Geregeld benadrukt zij immers hoe belangrijk het is om aan te sluiten op de behoeften van een kind, en, in het geval van een mens in psychische nood, op de kindpositie in de volwassene. Het belang van een veilige hechting voor de ontwikkeling en het psychisch welzijn van mensen kan inderdaad moeilijk onderschat worden. Om dat aan te tonen bewandelt zij echter een onnodig ingewikkeld traject met vage esoterische constructies zoals de Oerleegte en transpersoonlijke aansluiting. Haar suggestie dat psychosen uit hechtingsproblemen voortkomen wordt op geen enkele manier wetenschappelijk ondersteund.

Haar betoog mist samenhang en is lastig te volgen. Het lijkt veeleer een compilatie van ideeën, geïnspireerd door persoonlijke ervaringen en aangevuld met inzichten van anderen, met een onduidelijke functie. Zo haalt ze bijvoorbeeld de archetypen van Jung aan, maar daarmee wordt verder niets gedaan. De samenvatting met de kerngedachten op het einde van ieder hoofdstuk kan dit niet goedmaken, want die bevat niet meer dan losse stukken tekst.

Verder ergerde ik me regelmatig aan de vaagheid en onnauwkeurigheid waarmee met begrippen wordt omgegaan. Voorbeeld op bladzijde 109: ‘Hechting en loyaliteit zijn twee verschillende begrippen maar ze hebben elkaar nodig’. De tekst wordt verder doorlopend ontsierd door slordig taalgebruik, zoals ‘Het beeld gaat voorafgaand aan de gedachte.’ (p. 44). Zinnen zonder werkwoord zijn schering en inslag. Een paar voorbeelden: ‘Niet zozeer angst omdat je bang bent om hem/haar te verliezen, maar meer de angst alleen te zijn. Een angst die het gevoel van ‘houden van’ bedekt of vertekent.’ (p. 106); over de Oerleegte: ‘Op het moment dat we ons niet bewust zijn van ons lichaam. Een rust die je niet als leegte ervaart maar als Zijn in de leegte.’ (p. 65)

Ondanks de rommelige uitwerking heeft Bestaansleegte zeker verdiensten. Het vestigt terecht de aandacht op de existentiële nood van mensen met psychische problemen, waaraan al te vaak wordt voorbijgegaan. Monique de Heij leeft oprecht met hen mee en probeert om hun verwarring en ontreddering onder woorden te brengen. Zo poogt ze het onzegbare zegbaar te maken. Zodoende hoopt ze de hulpverlener de hand te reiken om mensen die verstrikt zijn geraakt in de leegte van het bestaan beter te begrijpen. En mensen die psychisch lijden kunnen in dit boek herkenning en erkenning vinden.

© Minervaria

Meer informatie over dit boek

Advertenties

Written by minervaria

31 oktober 2013 at 20:09

De depressie-epidemie

leave a comment »

DEHUE, T., De depressie-epidemie. A’dam, Uitg. Augustus, 2008 (8e dr.), 333 pp. – ISBN 978 90457 0430 2

In welvarende landen, waar de primaire levensbehoeften steeds beter zijn vervuld, heeft depressie epidemische vormen aangenomen. Talloze psychiaters, psychologen, moleculair biologen, neurologen, endocrinologen, ethologen en epidemiologen hebben zich al over het probleem gebogen maar de stoornis lijkt steeds meer om zich heen te grijpen.  De leeftijd waarop mensen voor het eerst een depressie krijgen komt juist lager te liggen. Dertig jaar geleden was dat nog op je veertigste, vandaag is dat tussen je veertiende en je twintigste, aldus onderzoeker Koen Raes.

Hoe is het zover kunnen komen? Gaat het om een biologisch bepaalde stoornis, die al eeuwenlang bestaat en overal voorkomt, maar pas nu in rijke landen goed gediagnosticeerd en behandeld wordt? Is de sterke toename van depressie een product van de farmaceutische industrie, die geld en macht vergaart door de bevolking stoornissen aan te praten? Of heeft de verzorgingsstaat de mensen te kleinzerig gemaakt, waardoor ze niet meer gewapend zijn tegen het leven?

In dit boek onderwerpt Trudy Dehue, hoogleraar wetenschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, deze verklaringen aan een kritische analyse. Ze laat zien dat deze niet afdoende zijn. Zij besluit dat de depressie-epidemie niet aan één enkele factor toe te schrijven is, maar aan een complex patroon van ontwikkelingen. En ze oppert een alternatieve verklaring.

Een historische verkenning leert dat de ‘moderne’ depressie niet zonder meer terug te brengen is tot de melancholie uit vroeger tijden. Toen hadden neerslachtigheid en depressiviteit een andere betekenis en stonden voor andere gedragingen en emoties dan wat wij nu onder depressie verstaan.

Depressie als biologische stoornis is een product van de psychiatrie en de farmaceutische industrie en dat beeld wordt versterkt door de neurowetenschappen, de journalistiek, de overheid en de hulpverlening. Dat heeft grote gevolgen voor de behandeling en de perceptie van de patiënt of cliënt. Alhoewel het beeld van depressie als lichamelijke ziekte nog helemaal niet bewezen is, worden somberheid en futloosheid tegenwoordig algemeen gezien als een veel voorkomende ziekte die de dokter moet verhelpen.

Velen wijzen met een beschuldigende vinger naar de farmaceutische bedrijven. Zij zouden de ziekten ‘aanprijzen’ die hun medicijnen moeten verhelpen. De farmaceutische industrie is echter niet de enige die het beeld van depressie als biologisch verankerde stoornis onder het publiek verspreidt. Wetenschappelijk onderzoekers moeten hun producten evengoed zien te verkopen. Geprivatiseerde onderzoeksbedrijven zowel als universitaire laboratoria moeten opdrachten van het bedrijfsleven binnenhalen of zelf de gang maken naar de beurs.

Trudy Dehue ontkracht tenslotte de verklaring dat de depressie-epidemie een product is van de hedendaagse verzorgingsstaat, die de gepamperde burger zou hebben ’verwend’ en ‘verwekelijkt’. De depressie-epidemie heeft eerder te maken met een verharding dan met een verzachting van de samenleving. In de afgelopen decennia maakte het ideaal van de maakbare samenleving plaats voor dat van het maakbare individu. Waren voorheen omstandigheden meestal nog de oorzaak van voorspoed of ellende, nu richt de aandacht zich op de persoonlijke inzet.

Daarbij zijn mensen niet minder maar juist méér verantwoordelijkheid voor zichzelf gaan dragen. Volgens de logica van de markt hebben mensen immers de plicht het lot in eigen hand te nemen. Mensen zijn hun eigen onderneming geworden. Ze moeten hun best doen om mee te kunnen in een concurrentiemaatschappij, want economisch succes wordt gezien als maatstaf voor slagen in het leven. Steeds meer mensen voelen zich in deze opgave tekortschieten.

In deze verfrissend kritische en tevens zeer leesbare studie legt Trudy Dehue de vinger op een steeds dieper etterende wonde. In ver doorgevoerde vorm laat het neoliberale systeem veel mensen volledig aan hun lot over. De verliezers hebben het aan zichzelf te wijten dat ze niet slaagden. In een systeem dat iedereen leert primair uit te zijn op eigenbelang kan niemand rekenen op substantiële hulp van anderen. Dat is alleen goed te verdragen voor de echte winnaars die niemand nodig hebben.

Sedert de eerste publicatie van dit boek is het er beslist niet beter op geworden. In onze maatschappij moeten talloze mensen verwoede pogingen doen om zich te handhaven. Wie zich niet dagelijks opgewekt en uitgebreid profileert op verschillende netwerksites telt niet meer mee. Wie zich niet kan beroepen op een flitsende carrière heeft het niet gemaakt. En het aantal coaches en cursussen, die ons zullen helpen om onze eigen praktijk te doen slagen, is nauwelijks bij te houden.

Terecht bekroonde de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek dit boek met de Eurekaprijs van 2009 voor een populairwetenschappelijke publicatie.

©  Minervaria

Written by minervaria

30 juni 2012 at 19:59

Nul empathie

leave a comment »

BARON-COHEN, S., Nul empathie. Een theorie van de menselijke wreedheid. (Vert. Zero Degrees of Empathy – A new theory of human cruelty, 2011) A’dam, Uitg. Nieuwezijds, 2012, 239 pp. – ISBN 978 90 5712 343 6

Een kampbewaker dwingt een man om de strop rond de hals van zijn vriend te leggen, dokters amputeren de handen van een vrouw en hechten ze verkeerd-om weer aan, rebellen slaan kinderen voor de ogen van hun moeders dood tegen de muur, een man verkracht zijn dochter bijna dagelijks terwijl hij haar meer dan 20 jaar in een kelder gevangen houdt. Bij zoveel horror staat ons verstand stil, we kunnen er niet bij. Hoe is het mogelijk dat mensen andere mensen zo beestachtig kunnen behandelen?

Door zijn Joodse achtergrond maakte Simon Baron-Cohen reeds vroeg in zijn leven kennis met de gruwelijke gevolgen van de nietsontziende barbaarsheid waarmee mensen andere mensen kunnen behandelen. De verklaring van filosofie en religie, het ‘kwaad’ zit in de mens, heeft hij altijd ontoereikend gevonden. Als je de menselijke wreedheid echt wilt begrijpen dan moet je inzien waarom mensen elkaar als objecten behandelen.

Gedurende dertig jaar deed Baron-Cohen onderzoek naar empathie. In Nul empathie presenteert hij een wetenschappelijke invalshoek voor het debat over de menselijke wreedheid. Mensen zijn onverschillig voor het leed van anderen omdat hun natuurlijke gevoelens van medeleven met een lijdende medemens uitgeschakeld zijn. Wanneer iemand een ander mens als een object behandelt, komt dat niet door het ‘kwaad’ maar door afwezigheid van empathie.

Empathie is ons vermogen om ons in te leven in de gedachten of gevoelens van anderen. Dat vermogen is niet bij iedereen even groot. We bevinden ons allemaal op een empathiespectrum dat van hoog naar laag loopt. Deze verschillen kunnen teruggebracht worden tot de werking van een aantal gebieden in de hersenen, het empathiecircuit.

Het vermogen tot empathie is vrij stabiel maar kan veranderen naargelang de omstandigheden. Als we opgeslorpt worden door ons werk zijn we meer bezig met onszelf dan met anderen. In een vlaag van woede of een dronken bui kunnen we iemand kwetsen. Dit zijn tijdelijke toestanden van empathie-erosie.

Er zijn echter mensen die altijd moeite hebben om zich in anderen in te leven. Voor hen is het zeer lastig, soms bijna onmogelijk om bevredigende relaties te onderhouden. Ze behandelen hun medemensen nagenoeg altijd als objecten en zijn bijna uitsluitend op zichzelf gericht. Deze mensen bevinden zich aan het laagste uiteinde van het empathiespectrum, ze hebben nul empathie.

Voor sommigen van hen heeft dit tekort uitsluitend negatieve gevolgen. Hun leven is bezaaid met moeilijkheden en mislukkingen. De psychiatrie noemt hun probleem een persoonlijkheidsstoornis. Vanuit het empathieperspectief zijn zij nul-negatief. Bij anderen is het gebrek aan empathie de tegenpool van een positieve eigenschap. Mensen met Asperger en klassiek autisme missen empathie, maar munten vaak uit in het systematiseren en het herkennen van patronen. Zij zijn nul-positief.

Baron-Cohen exploreert uitgebreid hoe deze mensen in het leven staan en maakt ons attent op de problemen waarmee zij geconfronteerd worden. Hij stelt vast dat bij hen het empathiecircuit inderdaad anders functioneert dan bij de modale mens, en wel met een specifiek patroon bij iedere vorm van nul empathie. De oorzaak ligt in een ingewikkelde wisselwerking van erfelijkheid met de omgeving, meer bepaald in de mogelijkheid om een veilige hechting te ontwikkelen.

Tenslotte zet Baron-Cohen zijn bevindingen op een rijtje. Aan de resultaten van zijn onderzoek koppelt hij een aantal interessante bespiegelingen over de menselijke wreedheid. We hoeven geen genoegen te nemen met machteloze verzuchtingen over het ‘kwaad’ in de mens. De wetenschap biedt een veel hoopvoller perspectief dan religie of filosofie.

Een aantal psychiatrische stoornissen, zoals borderline, psychopathie en anorexia nervosa, worden begrijpelijker en beter te behandelen als je ze bekijkt vanuit het standpunt van empathie. De bril van empathie zou kunnen leiden tot meer menselijke en effectieve vormen van rechtspraak en straf. In de plaats van mensen te laten rotten in gevangenissen zouden we hen trainingsprogramma’s in empathie kunnen laten volgen. Er zijn immers aanwijzingen dat iemand ook op latere leeftijd nog empathie kan ontwikkelen.

Het boek bevat twee interessante bijlagen. De eerste is de empathievragenlijst voor volwassenen en voor kinderen, waarmee je je eigen empathiequotiënt kunt berekenen. De tweede is een handleiding waarmee je kunt herkennen of iemand tot de groep mensen met nul empathie behoort. Wie zich verder in het onderwerp wil verdiepen zal heel zeker inspiratie vinden in de uitgebreide literatuurlijst.

Net als Frans de Waal is Baron-Cohen ervan overtuigd dat empathie een van de meest waardevolle hulpbronnen van onze wereld is. Begrip voor de positie van de andere partij is de enige manier om voortslepende conflicten op te lossen. Hij eindigt daarom met een emotionele oproep om meer medeleven te betonen en te gebruiken. ‘Ondergedompeld in empathie wordt ieder probleem oplosbaar.’, stelt hij. ‘Het is gratis en kan niemand onderdrukken.’

Nul empathie is geen horrorboek en verdrinkt niet in de verontwaardiging. Op een serene wijze laat het ons kennis maken met een reeks vernieuwende inzichten over gedrag dat voor de meesten van ons onbegrijpelijk is. Daarnaast worden oude, vertrouwde begrippen, zoals gehechtheid, door een wetenschappelijke onderbouwing uit de intuïtieve sfeer gehaald. Zo krijgen ze een rechtmatige plaats in een frisse benadering van het menselijk gedrag. Dit is de grote verdienste van dit boek.

Daarom is het jammer dat het betoog nogal slordig opgebouwd is en warrig geschreven. Ten behoeve van de leesbaarheid had de vertaling de oorspronkelijke tekst bovendien wat meer mogen loslaten. Een belangwekkend en actueel onderwerp als dit verdient een betere uitwerking.

@ Minervaria

Deze recensie verscheen ook op Noorderlicht

Written by minervaria

1 maart 2012 at 18:35

Geplaatst in Psychiatrie, Psychologie

Tagged with ,

Het einde van de psychotherapie

leave a comment »

VERHAEGHE, P., Het einde van de psychotherapie. A’dam, De Bezige Bij, 2009, 253 pp. – ISBN 978 90 234 4202 82

De klassieke psychotherapie ligt op apegapen, stelt Paul Verhaeghe, klinisch psycholoog en psychoanalyticus. In de afgelopen decennia is de kijk op psychische problemen en psychiatrische aandoeningen drastisch veranderd. De opvatting dat psychische problemen een betekenisvolle reactie zijn op opvoeding en sociale omstandigheden, heeft plaats gemaakt voor een streng biomedisch denkkader waarin alle menselijke problemen een neurologisch-genetische verklaring heten te hebben. De klassieke neurosen zijn stoornissen of disorders geworden waar mensen niets aan kunnen doen en waarvoor ze niet verantwoordelijk zijn. En psychotherapie die een eigen inzet vraagt, is vervangen door gemakkelijke pillen.

Je zou deze evolutie kunnen toejuichen als een vooruitgang in de kennis en aanpak van psychische problemen, ware het niet dat zich in onze welzijnsmaatschappij steeds meer mensen met een psychische stoornis aandienen. Om de haverklap worden trouwens nieuwe stoornissen ‘gevonden’ waarvoor dan weer telkens nieuwe behandelingen met medicijnen worden uitgedokterd en gepropageerd. Steeds meer mensen, ook insiders, zijn de overtuiging toegedaan dat psychotherapie niet werkt.

Bovendien veranderde het cliëntenbestand van de gemiddelde psychotherapeut aanzienlijk. De mensen die leden onder psychische problemen die hun levenskwaliteit ernstig aantastten, hebben plaats gemaakt voor mensen die op zoek zijn naar zichzelf. Ze lijden onder het onvermogen om te leven met onzekerheid en onvolledigheid, en verwachten van de therapeut een antwoord op de vraag welke keuzes te maken. Het menselijke tekort als normale levensproblematiek wordt stilaan een ziekte of stoornis. De vraag die psychotherapeuten tegenwoordig het vaakst te horen krijgen luidt: “Wat moet ik met mijn leven?”

Hoe heeft het zover kunnen komen? Paul Verhaeghe maakt een analyse van een combinatie van maatschappelijke ontwikkelingen waarvoor de psychotherapie de zwarte piet toegespeeld krijgt. Hij toont aan hoe een uit de hand gelopen meritocratie de traditionele groepen heeft weggevaagd, en individuen verweesd en geïsoleerd heeft achtergelaten met een algemeen gebrek aan zinverlening. Dezelfde sociaaleconomische ontwikkelingen die mensen uit hun groep of hun context lichten, isoleren ook hun problemen. Als koren op de molen van de rechtse analyse komt het probleem helemaal op rekening van het individu: eigen schuld dikke bult.

In dezelfde periode hebben de mens- en sociale wetenschappen, op zoek naar meer wetenschappelijke status en in de illusie van iedere generatie dat men (bijna) het eindpunt van kennis en kunde heeft bereikt, zich in de armen van de biomedische wetenschappen geworpen. De specifieke oorzaak van psychische problemen en stoornissen is immers relatief onduidelijk. Dan is zelfs een schijn van objectiviteit zeer aantrekkelijk. Men gaat genoegen nemen met een gefragmenteerde, puur gedragsmatige omschrijving, zoals de opeenvolgende versies van de DSM laten zien. Verhaeghe legt haarscherp bloot hoe misleidend deze benadering is, en hoe ze mensen met problemen door middel van etikettering een geruststellende identiteit verschaft met inbegrip van de bijhorende medicatie.

In deze evolutie gaat de psychotherapie echter zelf ook niet vrijuit. Al te lang huldigde men de eenzijdige veronderstelling dat alle psychische problemen te verklaren waren door een foute opvoeding en maatschappelijke omstandigheden. Als gevolg daarvan ging men er vanuit dat psychotherapie alleenzaligmakend was, voor alles hielp en zelfs de maatschappij kon veranderen. Het gevolg was een ongecontroleerde wildgroei van uiteenlopende scholen en zelfverklaarde therapeuten die de geloofwaardigheid van de discipline ernstig aantastten.
De overschatting van de mogelijkheden van de psychotherapie is haar slecht bekomen. De hooggespannen verwachtingen werden niet ingelost en onderschatting was het gevolg. Psychotherapie werd de kop van jut voor de mislukkingen in de geestelijke gezondheidszorg.

Is daarmee een einde gekomen aan de psychotherapie, waarvan de basis in het begin van de vorige eeuw door de psychoanalyse werd gelegd? Moet wie zich brandt nu maar op de blaren zitten? Verhaeghe meent van niet. Nieuwe problemen vragen een andere aanpak en andere oplossingen. De nieuwe therapeut zal zijn vertrouwde arsenaal aan methodes moeten loslaten en zich moeten afstemmen op de nieuwe patiënt of cliënt. Die is minder geneigd tot introspectie, en wil zonder veel inspanning van zijn probleem verlost worden. De nieuwe therapeut zal dan ook veel meer dan vroeger energie moeten besteden aan het uitbouwen van een therapeutische relatie, en mensen leren reflecteren.

Wie met psychotherapie bezig is ziet natuurlijk vooral de sombere kanten van het bestaan. Paul Verhaeghe maakt een scherpe analyse van de pijnpunten van onze moderne maatschappij. Het einde van de psychotherapie is dan ook geen vrolijk boek. Het balanceert geregeld op het randje van doemdenken.
Toch erkent hij ook de verdienste van de recente evoluties in de geestelijke gezondheidszorg. Zoals Eline Saks getuigt, heeft medicatie veel mensen met psychiatrische problemen geholpen het aanmodderen te ontstijgen en een rijk leven te leiden. We mogen het kind echter niet met het badwater weggooien. Verhaeghe pleit daarom voor een genuanceerde visie op geestelijke gezondheid. Psychische problemen zijn geen geïsoleerde problemen van een individu en diens onmiddellijke omgeving, maar evenmin een zuiver effect van externe invloeden waarvan iemand het slachtoffer is.

Verhaeghe goochelt natuurlijk met de visie en begrippen uit de psychoanalyse. Alhoewel enigszins vertrouwd met dit begrippenkader had ik het toch knap lastig met zijn relatief ondoorzichtige en abstracte taal. In het eerste stroeve hoofdstuk wordt de lezer meteen voor de leeuwen gegooid. Wie deze hindernis heeft genomen wordt echter beloond met een doordringende kritische kijk van een insider op de huidige stand van zaken in de geestelijke gezondheidszorg en de psychiatrie.

© Minervaria

Written by minervaria

3 augustus 2010 at 17:49

Gek, slecht en droevig

with 2 comments

APPIGNANESI, L., Gek, slecht en droevig. Een geschiedenis van vrouwen en psychiatrie van 1800 tot heden. (Vert. Mad, Bad and Sad) A’dam, De Bezige Bij, 2009, 576 pp. – ISBN 978 90 234 4059 8

Over anorexia en boulimia, meervoudige persoonlijkheden, posttraumatische stressstoornis en borderline had men voor 1950 nog niet gehoord. Niemand lijdt nog aan monomanie, neurasthenie, hysterie, melancholie, of dementia praecox. Het aantal psychische stoornissen lijkt in de loop der eeuwen bovendien alleen maar toegenomen en ze worden steeds complexer. Komen die ‘oude’ stoornissen niet meer voor, heeft men alleen andere namen geplakt op hetzelfde of is er iets anders aan de hand?

Er is waarschijnlijk geen medische discipline waar de meningen over oorzaken en aard van ziekte zo sterk meedeinen met de tijdsgeest als de psychiatrie. Niet alleen de opvattingen en denkbeelden over geestelijke gezondheid en ziekte zijn kind van hun tijd. Ook de uitingen en symptomen van krankzinnigheid zijn onderhevig aan culturele modes en maatschappelijke ontwikkelingen. De ziektebeelden zelf weerspiegelen het onbehagen van hun tijd. En heel speciaal vrouwen fungeren als de graadmeters van sociale problemen.

In dit boek reconstrueert Lisa Appignanesi de veranderingen in de opvattingen over afwijkend gedrag en waanzin in de afgelopen 2 eeuwen. Vanaf het einde van de achttiende eeuw werden mensen met afwijkend gedrag en opvattingen niet meer verdacht van hekserij of bezetenheid. Onder invloed van de Verlichtingsideeën kreeg het gebied van de geestesstoornissen de aandacht van de medische professie. Psychisch onevenwichtige mensen werden patiënten die begrip en behandeling nodig hadden.

In de daarop volgende eeuwen heeft de psychiatrie zich tot een volwaardige medische discipline ontwikkeld. Er werden uitvoerige individuele ziektegeschiedenissen opgesteld. Die vormden de basis voor steeds weer nieuwe en meer verfijnde verklaringsmodellen en behandelingsmethodes. Hete baden voor zwakke zenuwen legden het af tegen hypnose en later psychoanalyse voor de bezwarende omstandigheden in het verleden van de patiënt. Die werden dan weer gevolgd door cognitieve gesprekstherapie en door medicatie als behandeling van neurologische disfuncties. Er werden en worden zeer uiteenlopende diagnoses gesteld en behandelingen uitgevoerd, maar in feite tast men nog steeds in het duister over de oorzaken van psychische stoornissen.

In meerdere opzichten hadden vrouwen een beslissende invloed op de ontwikkeling van de psychiatrie. De moderne psychiatrie heeft zich grotendeels ontwikkeld op basis van de behandeling van vrouwen. Dit hoeft niet te verbazen want hormonale schommelingen en bepaalde gebeurtenissen in een vrouwenleven, zoals zwangerschap, de geboorte van kinderen en de menopauze, maken hen vatbaarder voor een stoornis zowel van lichaam als van geest.

Maar er is meer. Iedere maatschappij hanteert vrij strikte normen voor wat normaal en abnormaal gedrag is. Vrouwen in het bijzonder werden tot ver in de twintigste eeuw gedwongen in een keurslijf van verwachtingen en vooroordelen. Ze konden vaak alleen aan de opgelegde dienstbaarheid ontsnappen door te ‘kiezen’ voor een chronische ziekte als een manier van leven. Openlijk rebellerende vrouwen werden bovendien gemakkelijk met een of andere stoornis bedacht.

De professionalisering had immers nadelen: de arts meende het in zijn eentje beter te weten. Mensen werden soms onterecht als zenuwziek of krankzinnig beschouwd en vrouwen waren daar het eerste slachtoffer van. In een tijd waarin artsen een codeboek hanteerden met strenge repressieve regels voor vrouwen kwamen vele jonge vrouwen in het ziekenhuis of het gesticht terecht. Als ze niet in de pas liepen werden ze opgesloten. De geschiedenis van Martha Hurwitz illustreert het droevige lot van vrouwen die vegeteerden in gestichten, ten prooi aan medische hardnekkigheid.

Het is maar de vraag of vrouwen nu minder dwang ervaren om zich te conformeren aan maatschappelijke beeldvorming. Ook in onze tijd vormen ze het leeuwendeel van de consumenten van psychische hulpverlening. Twee van de drie cliënten die gebruik maken van gespreksbehandelingen zijn vrouwen, en hetzelfde geldt voor het gebruik van slaap- en kalmeermiddelen en antidepressiva. Het aantal meisjes en vrouwen met eetstoornissen groeit onrustwekkend en steeds meer mensen, vooral vrouwen, gaan gebukt onder posttraumatische stressstoornissen.

Vrouwelijke thema’s bepaalden ook lange tijd de veronderstelde oorzaken van geestesziekte. Onder invloed van de psychoanalyse vormden seksualiteit en de moeder-kindrelatie lang de belangrijkste verklaringsmodellen voor zowel een normale als een afwijkende psychische ontwikkeling. Daarbij is het eigenlijk een beschamende vaststelling dat deze evolutie in belangrijke mate op rekening van vrouwen in het beroep te schrijven is.

Vrouwen figureerden in de geschiedenis van de psychiatrie immers niet alleen als patiënt. Al heel vroeg waren ze actief in de theorievorming over psychische stoornissen en in de behandeling van mensen met psychische problemen. Alhoewel vrouwen als Anna Freud en Melanie Klein zich distantieerden van de eng-seksuele denkbeelden van hun mannelijke collega-psychoanalisten, introduceerden zij de ontspoorde moeder-kindrelatie als verklaring voor psychische stoornissen. Zo zadelden zij talloze vrouwen op met het beeld van het moederschap als biologische bestemming van de vrouw en met een onterecht schuldcomplex over het nastreven van persoonlijke ontwikkeling en aspiraties en over de problemen van hun kinderen. Vooral in de Verenigde Staten heeft dit verklaringsmodel onrechtstreeks bijgedragen tot de huidige angstcultuur waarin de gruwelijk verwende “zijne majesteit het kind” de scepter zwaait en zijn ouders tot knikkende slaven bombardeert.

De groei en bloei van de psychiatrie heeft niet kunnen beletten dat het aantal geestelijke problemen en stoornissen in onze tijd exponentieel is toegenomen. In een individualistische samenleving worden van sociale problemen al te gemakkelijk individuele problemen gemaakt. De epidemie van nieuwe ziektebeelden en stoornissen als aandachtstekort en anorexia bijvoorbeeld kan in verband gebracht worden met het overaanbod aan informatie en het heersende schoonheidsideaal.

Deze magistrale en ongemeen rijke cultuurgeschiedenis van de psychiatrie is gebouwd rond twee lijnen. In de eerste laat Lisa Appignanesi een keur van grote en minder grote namen uit de psychiatrie uitgebreid de revue passeren. Van Philippe Pinel, die als eerste de krankzinnigen van hun ketenen bevrijdde, over Sigmund Freud en zijn talloze volgelingen in de psychoanalyse tot de antipsychiatrie van Laing, ze komen allen aan de orde. De andere lijn wordt gevormd door beroemde casussen van vrouwelijke psychiatrische patiënten die een belangrijke bijdrage leverden aan een beter begrip van geestelijke stoornissen in hun eigen tijd. Haar verhaal is daarmee zowel diepgaand als zeer ruim uitgewerkt.

Deze benadering heeft enkele nadelen. Door de vele details komt de evolutie van de veranderende inzichten niet altijd goed uit de verf. Zonder basiskennis over de psychiatrie en over de verschillende ‘scholen’ is het betoog waarschijnlijk nog moeilijker te volgen. De vrouwen in de casussen behoorden bovendien in hoofdzaak tot de elite of de jetset van hun tijd. We krijgen dus vooral het verhaal van een weliswaar invloedrijke minderheid die zich een vooruitstrevende behandeling kon permitteren. Het lot van de mensen uit de lagere klassen wordt nauwelijks belicht, evenmin als de vaak deplorabele toestanden in de toenmalige gekkenhuizen. Dit vind ik jammer.

Lisa Appiganesi hanteert een bloemrijke literaire taal die aangenaam is om te lezen. Toch vormen de lange en complexe zinnen, hoewel passend bij de behandelde tijdsperiodes, vaak een obstakel voor een goed begrip van haar betoog. Het derde deel over de moderne psychiatrische ontwikkelingen is voor de doorsnee lezer dan ook veel inzichtelijker.
Niettemin is het een meesterwerk in meerdere opzichten!

© Minervaria

Written by minervaria

30 juni 2010 at 13:41

Geplaatst in Geschiedenis, Psychiatrie

De geschiedenis van mijn gekte

leave a comment »

SAKS, E., De geschiedenis van mijn gekte. Leven met schizofrenie. (Vert. The Center Cannot Hold, My Journey Through Madness) A’dam, Uitg. Luytingh-Sijthoff B.V., 2007, 367 pp. – ISBN 978 90 245 5220 7

Elyn Saks is professor in de rechtswetenschap, meer bepaald in het recht binnen de gezondheidszorg, het crimineel recht en kinderrechten. Momenteel volgt ze een opleiding in de psychoanalyse. Dat ze aan schizofrenie lijdt maakt dit alles zeer bijzonder.

In dit boek vertelt ze hoe schizofrenie haar leven geleidelijk heeft ingepalmd. Ze beschrijft haar gevecht met een beangstigende en zeer invaliderende psychische aandoening, en hoe ze na veel vallen en opstaan geleerd heeft die te aanvaarden en ermee te leven.

Dank zij haar uitzonderlijke capaciteiten slaagde Elyn Saks er niet alleen in haar ziekte een plaats te geven in haar leven, maar ook een gerespecteerde positie te verwerven in de maatschappij. Als ervaringsdeskundige heeft ze bovendien haar levenswerk gemaakt van het verdedigen en versterken van de rechtspositie van maatschappelijk zwakke mensen.

Er zijn heel zeker niet veel mensen met een ernstige psychische aandoening die een zo belangrijke positie hebben verworven als zij. Haar succesverhaal kan dan ook suggereren dat je zo’n zware ziekte wel kan overwinnen als je maar genoeg je best doet. Elyn Saks bestrijdt dit denkbeeld met klem. Ze heeft zelf voldoende ervaren hoe de psychotische episodes van schizofrenie iemands leven totaal overhoop kunnen gooien. Mensen kunnen echter meer of minder geluk hebben met de ondersteuning door hun sociaal netwerk. Ze noemt het zelf ‘het lot uit de loterij’.

Met haar boek wil ze het stigma van de psychiatrische aandoening doorprikken, en tegelijk een hoopvolle boodschap geven. Een dergelijke diagnose veroordeelt iemand niet zonder meer tot een zwaar en somber leven. Ondanks de ernstige beperkingen – en die onderkent Saks zeer goed – is het met professionele ondersteuning en zorgzame vriendschap mogelijk een leven te leiden dat de moeite waard is.

Dit bijwijlen ontroerende boek geeft een goed inzicht in wat schizofrenie betekent en meebrengt voor de persoon zelf en voor de omgeving. Het laat zich lezen als een roman en is dus zeker een aanrader.

© Minervaria

Written by minervaria

16 maart 2009 at 22:38

Onze hersenen

leave a comment »

KAHN, R, Onze hersenen. Over de smalle grens tussen normaal en abnormaal. A’dam, Uitg. Balans, 2008 (7e dr.), 291 pp. – ISBN 978 90 5018 921 7

Mensen die zich vreemd en onvoorspelbaar gedragen, overspannen en depressieve mensen, verslaafden, zwervers worden vaak gemeden of met de vinger nagewezen. Ze hebben echter met elkaar gemeen dat de werking van hun hersenen op een vaak subtiele wijze verschilt van die van de doorsnee mens.

Van al onze organen zijn onze hersenen het belangrijkste. Door onze hersenen kunnen we de omgeving in ons opnemen, prikkels verwerken en erop reageren. De hersenen sturen ons gedrag. Omdat de hersenen zich niet gemakkelijk laten onderzoeken was het lange tijd een raadsel hoe dit gebeurde. Pas in de 19e eeuw begon men systematisch mensen te bestuderen van wie de hersenen aantoonbaar beschadigd waren.

René Kahn, hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Utrecht en afdelingshoofd psychiatrie aan het UMC te Utrecht, toont in dit boek aan hoe veranderingen in de hersenen kunnen leiden tot gedragsveranderingen die we allemaal kennen maar niet begrijpen. Hij heeft daarvoor een selectie gemaakt van de meest voorkomende psychische problemen en bespreekt achtereenvolgens de depressie, dementie, verslaving, schizofrenie, dwangstoornis en autisme. Bij ieder van deze stoornissen gaat er iets mis in het denken, de emoties en het gedrag.

Op basis van de bevindingen van het meest recente hersenonderzoek verheldert Kahn hoe deze belangrijke functies door de hersenen gestuurd worden en wat er mis gaat bij een stoornis. De meeste psychische ziekten worden niet veroorzaakt door afwijkingen in een specifiek deel van de hersenen. Ze bestaan uit verschillende deelstoornissen in uiteenlopende domeinen van gedrag en emotie. Eenzelfde gedrag en emotie kunnen gebaseerd zijn op verschillende stoornissen in de hersenen.

Een psychische stoornis is dan ook geen vreemde afwijking, maar een variatie op de normaliteit met ingrijpende gevolgen. Zo legt Kahn verband tussen de bovengenoemde stoornissen en, in dezelfde volgorde, onze reactie op stress, het geheugen, motivatie, taal en vrije wil, kiezen en empathie.

Meteen maakt hij duidelijk dat stoornissen in gedrag, denken en emoties niet anders, vreemder en al helemaal niet ‘gekker’ zijn dan lichamelijke afwijkingen. Wanneer men begrijpt wat aan vreemd gedrag ten grondslag ligt is het plotseling niet meer zo vreemd. Epileptische aanvallen bijvoorbeeld waren vroeger een teken van goddelijkheid of een uiting van satanische krachten, maar sedert men weet dat de verklaring ligt in spontane elektrische ontladingen in de hersenen is er niets geks meer aan epilepsie.

Hoe meer we onze hersenen beschouwen als ieder ander orgaan in ons lichaam des te beter zullen we kunnen begrijpen hoe normaal en abnormaal gedrag tot stand komt en hoe onze emoties en gevoelens ontstaan en soms ontsporen. Het erkennen en begrijpen van de rol van de hersenen in ons gedrag maakt de ander, zowel in ziekte als gezondheid, gewoner.

Sommigen beweren dat het verklaren van alle gedrag uit de structuur en functie van de hersenen simplistisch en reductionistisch zou zijn. Maar het hersenonderzoek van de laatste jaren heeft net overvloedig aangetoond dat de omgeving onze hersenen beïnvloedt. Onze hersenen zijn immers het orgaan dat verantwoordelijk is voor de interactie met de omgeving. Ze groeien, passen zich aan en veranderen naargelang de omstandigheden dat vereisen. Dit is tegelijk een hoopgevende boodschap omdat vanwege deze flexibiliteit en beïnvloedbaarheid zieke hersenen weer gezond kunnen worden.

Voor hij de verschillende stoornissen bespreekt schetst Kahn bondig de geschiedenis van het wetenschappelijk onderzoek naar het verband tussen hersenen en (afwijkend) gedrag. In een aanhangsel legt hij de nieuwste hersenscantechnieken uit en in een notendop de anatomie van de hersenen en de zenuwen. Hierbij waren een paar tekeningen verhelderend geweest.
Het boek is voorzien van een ruime noten- en dito bronnenlijst. Een register van gebruikte termen ontbreekt jammer genoeg.

Kahn schrijft vlot en boeiend. Toch blijft het moeilijke materie. De processen die zich in onze hersenen voordoen en hun onderlinge wisselwerking zijn immers ingewikkeld en niet eenvoudig te begrijpen. Zelfs met mijn voorkennis diende ik mij tijdens het lezen nog stevig te concentreren.

© Minervaria

Written by minervaria

24 februari 2009 at 10:55