Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Filosofie’ Category

Gratis geld voor iedereen

leave a comment »

BregmanR14BREGMAN, R., Gratis geld voor iedereen. En nog vijf grote ideeën die de wereld kunnen veranderen. A’dam, De correspondent, 2014, 255 pp. – ISBN 978 90 822 5630 7

Ben je gek? Gratis geld voor iedereen? Zo verzanden we binnen de kortste keren in een hangmatsamenleving waar niets en niemand nog beweegt. Wie zal er nog willen werken? En waar zal men het geld vandaan halen?

Het onvoorwaardelijk basisinkomen, voor velen een onhaalbare utopie, begint echter langzaam in de geesten door te sijpelen. Vorig jaar heeft men in Finland besloten om het basisinkomen te gaan testen. Binnenkort wordt er in Zwitserland een referendum over georganiseerd. Het is één van de ideeën in dit boek die de droom van een betere wereld dichterbij kunnen brengen.

Leven we dan niet nu al in de beste aller werelden? Ja hoor, zegt Rutger Bregman. We leven in Luilekkerland, we hebben het nog nooit zo goed gehad. De economische vooruitgang heeft ons leven welvarend en comfortabel gemaakt. Maar het is niet al goud wat blinkt. Want diezelfde voorspoed heeft ons ook consumentisme, doorgeschoten individualisme, materialisme en ziekmakende werkstress gebracht. En we blijven in die ratrace meedraaien, omdat we ons niet durven voorstellen hoe het beter kan.

De geschiedenis leert echter dat de manier waarop we onze samenleving hebben ingericht niet vanzelfsprekend is. Het kan altijd anders. En dus is het hoog tijd voor nieuwe dromen en ideeën. Want ideeën kunnen de wereld veranderen. Bregman houdt een bevlogen pleidooi voor de terugkeer van de utopie.

Utopieën koesteren radicale ideeën over een andere, betere wereld. De twintigste eeuw heeft de utopie echter een kwalijke reputatie bezorgd. De nachtmerries van het fascisme, het communisme, het nazisme liggen nog vers in het geheugen. En de opmars van IS met het bijhorende terrorisme duwt ons weer met de neus op de gevaren van de utopie. Utopieën hoeven echter niet noodzakelijk uit te monden in totalitaire systemen. Dromen van de ideale maatschappij kan ook zonder de pasklare antwoorden van het fanatisme. Een utopie die goede vragen stelt en richtingen aangeeft is een poging om de toekomst te ontgrendelen, om de ramen van het denken weer open te zetten.

Zo zijn een onvoorwaardelijk basisinkomen en een werkweek van 15 uur nu nog zonderlinge dromen. Maar hoe lang zal dat nog duren? Nu al wordt duidelijk dat de economische en technologische evoluties herverdeling van werk en geld onvermijdelijk zullen maken. De ideale maatschappij van de toekomst hanteert een ander belastingstelsel en nieuwe maatstaven van vooruitgang. En ze is een wereld zonder grenzen waarin er geen armoede heerst.

De economische crisis en de recente opmars van het religieus fundamentalisme en terrorisme lijken doemdenken te rechtvaardigen. Velen zoeken hun heil in een conservatieve visie die denkt dat vroeger alles beter was en vooral wil behouden wat er is. Met een aanstekelijk positieve, optimistische levensvisie gaat de jonge filosoof Rutger Bregman daar lijnrecht tegenin.

Zijn verfrissend vooruitgangsoptimisme brengt een radicaal andere toekomst tot leven, met een kwalitatief beter leven voor alle mensen. Die mooie dromen zijn bovendien geen natte vingerwerk, maar goed doordacht. Hij haalt dan ook de mosterd bij eminente denkers als Philippe Van Parijs, die wereldwijd erkenning geniet als promotor van het basisinkomen.

Gratis geld voor iedereen is een ronduit inspirerend boek. Het is bovendien heel toegankelijk en onderhoudend geschreven en een waar plezier om te lezen.

© Minervaria

Kritische bedenkingen bij het basisinkomen:
Geluk voor iedereen?

Written by minervaria

28 mei 2016 at 19:17

De ongelovige Thomas heeft een punt

leave a comment »

BraeckmanJBoudryM11BRAECKMAN, J. & M. BOUDRY, De ongelovige Thomas heeft een punt. Handleiding voor kritisch denken. A’pen, Utrecht, Uitg. Houtekiet, 2011, 344 pp. – ISBN 978 90 8924 188

Energetische kristallen, complottheorieën, helderziendheid, homeopathie, handoplegging, telekinese, aardstralen, telepathie, urinetherapie, oorkaarstherapie, astrologie, wichelroedelopen, auratherapie, chakra’s, het bestaan van engelen, sterrenkinderen, geloof in vorige levens en wenende Mariabeelden. Het aanbod van bizarre beweringen en opvattingen is tot op de dag van vandaag schier onuitputtelijk.

We hebben allemaal overtuigingen die we ons zonder goede redenen eigen maakten. Zelfs zeer verstandige mensen, onder wie wetenschappelijk geschoolde academici, kunnen ten prooi vallen aan compleet onzinnige overtuigingen. Gelukkig zijn de meeste ervan vrij onschuldig, maar ze kunnen ook zeer gevaarlijk zijn. Zo leverden de Protocollen van de Wijzen van Sion stof voor het antisemitisme en de Jodenvervolging in de vorige eeuw.

Het menselijk denken is bijzonder vatbaar voor bijgeloof, valse verbanden en geloof in bovennatuurlijke krachten. De menselijke hersenen zijn immers niet geëvolueerd om te onderzoeken of iets juist is, maar om snel te reageren op prikkels die op gevaar kunnen wijzen. Informatie die op het eerste zicht belangrijk is zet aan tot actie. Zodoende leggen mensen gemakkelijk verbanden die niet stroken met de werkelijkheid.

Gelukkig kunnen we nadenken over het denken zelf. Kritisch denken is de beste garantie tegen zelfbedrog. Behalve voor alledaagse en triviale uitspraken, is het verstandig om een nieuwe opvatting niet te aanvaarden voordat er voldoende en deugdelijke bewijzen zijn. Een dergelijke houding druist echter in tegen onze natuurlijke psychologische neigingen en vergt daarom bewuste oefening.

Hoe moeten we te werk gaan om niet elke bewering voetstoots aan te nemen? Hoe kunnen we desinformatie opsporen en ondeugdelijke argumenten doorprikken? Hoe herkennen we tegenstrijdige beweringen? Wat is een geldige veralgemening of afleiding? Zijn bepaalde vergelijkingen correct of misleidend? Hoeveel afwijkende fouten volstaan om een theorie onderuit te halen?

Als doorwinterde sceptici leggen de auteurs verschillende bizarre beweringen langs de lat van het kritische denken. Ze lichten de basismechanismen toe van kritisch denken en verschaffen tevens een aantal vuistregels om ondeugdelijke opvattingen te herkennen. Hiervoor steunen ze op de resultaten van doorgedreven onderzoek in de cognitieve psychologie. Dit maakt duidelijk hoezeer ons denken vatbaar is voor illusies en vooringenomenheden.

Zo maken ze duidelijk hoe complottheorieën drijven op de neiging van mensen om conclusies te trekken op basis van oppervlakkige verbanden. Ze ontrafelen de mysteries rond fabeldieren en monsters zoals Bigfoot en het monster van Loch Ness. Ze leggen uit hoe ons geheugen ons in de maling kan nemen en opzadelen met verdrongen herinneringen. En ze tonen aan hoe gemakkelijk mensen in een goed voorbereide hoax kunnen tuinen.

U leert waarom u geen geloof moet hechten aan theorieën die gebaseerd zijn op religieuze geschriften, zoals het creationisme. U krijgt een rondleiding in het wetenschappelijk onderzoek naar mirakels, bijna-doodervaringen, leven na de dood en bidden voor genezing. U wordt wegwijs gemaakt in de trukendoos van mediums en helderzienden. En u leert de strategieën doorzien van pseudowetenschappers waarmee ze zich indekken tegen mogelijke ontkrachting en interne contradicties.

In de bespreking van het postmodernisme wordt tot slot duidelijk dat kritisch denken niet gelijk staat aan alles relativeren en onophoudelijk in vraag stellen. Kritische denkers staan wel sceptisch tegenover theorieën en praktijken die in strijd zijn met wetenschappelijke inzichten of die de wetenschappelijke methodologie aan hun laars lappen. Ze worden daardoor vaak beschouwd als tegendraadse lastposten en onverdraagzame wetenschapsfundamentalisten. Toch verplichten zij niemand om inzichten te aanvaarden die botsen met de eigen diepste overtuigingen.

In De ongelovige Thomas heeft een punt komt uiteraard niet het hele domein van pseudowetenschap en bizarre overtuigingen aan bod. De auteurs hebben een keuze gemaakt uit de meest gangbare onzinnige theorieën en verwijzen naar andere lectuur voor wie zich daarin wil verdiepen. Ze willen een handleiding aanreiken, waarmee waarschijnlijke van minder waarschijnlijke beweringen kunnen onderscheiden worden en drogredeneringen kunnen herkend worden. Daarin zijn ze met glans geslaagd.

Een rechtgeaarde gelovige zal dit boek wellicht links laten liggen. Het is echter warm aanbevolen aan iedereen die zichzelf niet goedgelovig vindt en, zoals de apostel Thomas, zich liever niet laat vangen door loze beweringen. De tekst is bovendien helder en onderhoudend geschreven en vlot te lezen. Alleen het laatste hoofdstuk over het postmodernisme is minder toegankelijk voor de modale lezer.

© Minervaria

Written by minervaria

29 juli 2015 at 00:03

Geplaatst in Filosofie, Wetenschap

Niet voor de winst

leave a comment »

NussbaumM11NUSSBAUM, M., Niet voor de winst. Waarom de democratie de geesteswetenschappen nodig heeft. (Vert. Not for profit, 2010) A’dam, Uitg. Ambo, 2011, 214 pp. – ISBN 978 90263 2665 3

Er is een crisis gaande in het onderwijs. Overal ter wereld worden de geesteswetenschappen wegbezuinigd. In functie van het sterke streven naar winst op de wereldmarkten moeten ze plaats maken voor vakken die meer onmiddellijk economisch en praktisch nut hebben. Martha Nussbaum vindt dit een verontrustende ontwikkeling. Er dreigen waarden verloren te gaan die van groot belang zijn voor de toekomst van de democratie.

Het is juist dat de nationale belangen van democratieën een sterke economie vereisen en een bloeiend zakenleven. Maar economische groei volstaat niet voor de groei en bloei van een democratie. Democratie is zelfs niet nodig voor economische groei. Ook niet-democratische landen kunnen het economisch (zeer) goed doen. In een democratisch systeem hebben mensen echter ook een goed leven omdat ze een stem hebben in het beleid dat hun leven bepaalt.

Want als we willen dat onze democratieën levend en alert blijven hebben we kritische en mondige burgers nodig, die tevens betrokken zijn op anderen en respect hebben voor elkaar. De opvoeding tot kritisch, geïnformeerd, onafhankelijk en empathisch democratisch burgerschap wordt het best gediend door een brede en gevarieerde training in de geesteswetenschappen.

Jonge mensen dienen kennis te maken met verschillende landen en culturen en inzicht te krijgen in de wereldgeschiedenis en in de politieke, sociale en economische structuren. Zo krijgen ze de kans om wereldburgers te worden met een ruime en open kijk op de wereld en het vermogen om deze te zien door de ogen van iemand anders.

Om haar stelling te staven doet de auteur beroep op een keur van vooraanstaande pleitbezorgers voor vernieuwend onderwijs in de geesteswetenschappen. Deze pioniers brachten op zeer verschillende wijze de socratische methode in de praktijk. Zij leerden de jongeren nadenken, argumenteren en debatteren. Zij besteedden ook veel aandacht aan het cultiveren van kunst, een uitstekend middel tot inleven en samenhorigheid.

In dit manifest houdt Martha Nussbaum een warm pleidooi voor de geesteswetenschappen in het onderwijs en roept op tot actie. Het aanpakken en verbeteren van de vrij uitzichtloze situatie van de kunsten en geesteswetenschappen in het onderwijs vergt overigens niet zozeer geld, maar vooral toegewijde mensen en steun voor de programma’s.

En ze besluit: “De geesteswetenschappen doen iets wat veel kostbaarder is dan geld opleveren. Ze maken de wereld tot een plek waar het leven de moeite waard is, ze brengen mensen voort die in staat zijn om andere mensen te beschouwen als volledige mensen, met eigen gedachten en gevoelens die respect en inlevingsvermogen verdienen, en landen die in staat zijn om angst en argwaan te overwinnen en te kiezen voor een welwillend en redelijk debat.” Dit mag dan wellicht te optimistisch zijn, zonder adequaat onderwijs in de geesteswetenschappen zou de wereld voor velen wellicht nog minder aangenaam zijn.

Zoals alle andere werken van Martha Nussbaum is ook dit boek echt voor de lezer geschreven. Daarom is het jammer dat de vertaling te wensen overlaat. Deze is te dicht bij het Engels gebleven, met lange en ingewikkelde zinnen zonder een enkele komma.

© Minervaria

Written by minervaria

31 mei 2015 at 16:12

Geplaatst in Filosofie, Onderwijs

Het huis van de vrijheid

leave a comment »

ClaassenR11CLAASSEN, R., Het huis van de vrijheid. Een politieke filosofie voor vandaag. A’dam, Ambo, 2011, 371 pp. – ISBN 978 90 263 2409 3

Vrijheid is een sterk merk. Van alle politieke idealen wordt er wereldwijd het meest voor gestreden. Maar er wordt wellicht evenveel gebakkeleid over wat onder vrijheid dient verstaan te worden en wie die moet mogelijk maken en beschermen. En dan komt de staat in het vizier.

Je kunt de staat vergelijken met een huis en de overheid met het huisbestuur. Dit moet ervoor zorgen dat de bewoners zonder al teveel problemen kunnen samenleven. In Het huis van de vrijheid vraagt Rutger Claassen zich af wat de staat moet doen om de vrijheid voor de burgers te realiseren.

Voor een zinvol antwoord moet in de eerste plaats bepaald worden welk soort vrijheid de staat dient te beschermen en te vrijwaren. Claassen kiest voor een positieve invulling en benoemt deze als autonomie of zelfbeschikking. Het ideaal van autonomie laat de meeste ruimte aan individuen om hun leven naar eigen inzicht in te richten. Vrijheid is immers meer dan vrij zijn van. In de eenentwintigste eeuw moet de vrijheid, die in de vorige eeuw veroverd werd, goed beheerd worden.

De staat moet dus zorgen voor een politieke gemeenschap waarin burgers een zo groot mogelijke persoonlijke autonomie genieten. Hij dient publieke goederen te voorzien of te beschermen die burgers nodig hebben om deze zelfbeschikking te kunnen uitoefenen. Tegelijk mag hij zich echter niet mengen in de zaken die deze burgers vervolgens ondernemen. Hoe kan de staat deze evenwichtsoefening oplossen? Claassen probeert een antwoord te formuleren voor een aantal kwesties die de gemoederen momenteel beroeren.

De eerste kwestie betreft veiligheid. Mag de staat de individuele vrijheid aan banden leggen en zo ja in welk geval? Wanneer is de overheid betuttelend en waar ondersteunt zij de vrijheid om te kiezen? Een gordelplicht of vettaks kan gekaderd worden in het beperken of vermijden van schade. Maar wat te denken van bijvoorbeeld de subsidiëring van kunst en cultuur in het kader van volksverheffing?

Het tweede discussiepunt betreft de nadruk op economische groei. Welvaart heeft veel vrijheid gebracht. Maar brengt toenemende welvaart ook steeds meer autonomie? Moeten we koortsachtig proberen nog hogere groeicijfers te behalen en nog meer welvaart te scheppen? Moet de staat zich bemoeien met de keuze van individuen tussen meer werk of meer vrije tijd? En wat kan hij doen zodat ze vrij kunnen kiezen?

Onze samenleving is tenslotte steeds minder homogeen geworden. De groeiende diversiteit roept wantrouwen op tussen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’ en dreigt de samenhorigheid van de bewoners van het huis te verbrokkelen. Moet de staat zich bemoeien met het samenleven van bevolkingsgroepen in een multiculturele samenleving? Mag ze integratie afdwingen? Zijn er grenzen aan de vrijheid van mensen om volgens hun cultuur te leven? In hoeverre moet de staat deze culturele identiteit erkennen en ruimte geven?

Het huis van de vrijheid gaat over de grondslag van onze samenleving. Het boek zet de lezer aan het denken over de betekenis van vrijheid en over de links-rechtstegenstelling in de politiek. Hij wordt uitgenodigd om zich te bezinnen over een aantal kwesties die de goegemeente van tijd tot tijd hevig kunnen beroeren, zoals euthanasie en religieuze uitingen. En hij krijgt bovendien een paar originele ideeën aangereikt.

Men hoeft het uiteraard niet in alles met de auteur eens te zijn. Hij erkent trouwens dat zijn standpunt over de verantwoordelijkheid van de staat in het bevorderen van de autonomie beperkingen heeft. De gespannen relatie tussen vrijheid en gelijkheid komt bijvoorbeeld niet aan de orde en de taken en verantwoordelijkheid van de burger blijven onderbelicht.

Het werk is bevattelijk geschreven en het betoog wordt geïllustreerd met concrete voorbeelden. Die komen uiteraard uit de Nederlandse situatie, maar ze kunnen zonder probleem vertaald worden naar de Belgische realiteit.

© Minervaria

Written by minervaria

3 december 2014 at 13:27

Geplaatst in Filosofie, Politiek

Hoeveel is genoeg?

leave a comment »

SkidelskyRSkidelskyE13SKIDELSKY, R. & E. SKIDELSKY, Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven. ( Vert. How Much is Enough?, 2012) A’pen, Uitg. De Bezige Bij, 2013, 320pp. – ISBN 978 90 8542 464 2

Niets is genoeg voor de man die aan genoeg te weinig heeft.

 Epicurus

Hoeveel is genoeg? is een betoog tegen onverzadigbaarheid. Onverzadigbaarheid ligt in de menselijke aard, maar die wordt opgejaagd door het kapitalistische systeem. Het kapitalisme heeft enorme materiële verbeteringen mogelijk gemaakt en voor iedereen in het Westen welvaart en rijkdom gecreëerd. Maar het heeft ons ook het voornaamste voordeel van die rijkdom ontnomen: het besef dat we genoeg hebben. De spiraal van competitief consumeren houdt een systeem in stand waarin hebzucht centraal staat en waarin het moeilijk wordt gemaakt om te genieten van wat we hebben.

Midden de vorige eeuw dachten vooraanstaande economen dat als gevolg van de economische groei de verlangens van mensen uiteindelijk zouden bevredigd zijn. Ze zouden minder uren werken en meer vrije tijd hebben om van het leven te genieten. Het is onderhand duidelijk dat deze voorspelling niet juist was. Nu die wereld van overvloed eindelijk bereikt is, worden er inderdaad wat minder uren gewerkt. Maar tegelijk is er een mentaliteit gegroeid die helemaal in het teken staat van het vergaren en vergroten van bezit en het doelloos scheppen van rijkdom.

We zijn in de val gelopen van vooruitgang zonder doel en van rijkdom zonder einde. Het marktdenken heeft iedereen in zijn greep, de ethiek is uit het openbare leven verdwenen. Aan die waanzin van het eindeloze najagen van rijkdom kunnen we alleen ontsnappen als we er bewust paal en perk aan stellen. We moeten ons afvragen waarvoor economische groei moet dienen en het goede leven weer onder het stof vandaan halen.

Het idee van het goede leven is een universele ethische gedachte. De belangrijke culturen van de oudheid, zowel in Europa als in Azië, stellen alle dat het verzamelen van rijkdom geen doel op zich kan zijn. De rechtvaardige en gematigde mens verwerft alleen wat hij nodig heeft om goed te kunnen leven en laat het daarbij. Geld vergaren brengt schade toe aan basisgoederen zoals vriendschap, persoonlijkheid en geborgenheid.

Ook uit andere hoeken klinkt er verzet tegen de schijnbaar onstuitbare moloch van de groei. Critici wijzen erop dat groei ons niet gelukkiger maakt en ons bovendien opzadelt met een verwoestende invloed op het milieu. Deze bezwaren zijn terecht, maar vervuiling en geluk raken niet aan de kern van het bezwaar tegen de ongebreidelde groei, nl. dat die zinloos is. Geld verzamelen draagt gewoon niet bij tot het goede leven.

Maar wat is dan een ‘goed leven’? Het goede leven is een leven dat wenselijk is, of het nastreven waard. En hoe zou dat goede leven er kunnen uitzien? Er blijkt een brede overeenstemming te bestaan over wat je de basisgoederen van een goed leven zou kunnen noemen. De auteurs onderscheiden er zeven. Ze zijn onverhandelbaar en niet te herleiden tot iets anders.

De voornaamste taak voor de overheid is om de materiële voorwaarden te scheppen voor een goed leven voor iedereen. Overheidsbeleid zou er moeten op gericht zijn om de economie zo in te richten, dat de goede zaken van het leven binnen ieders bereik komen. Verstandig beleid heeft nooit groei als doel, wel als middel, stellen de auteurs. Ze stellen een aantal beleidsinstrumenten voor waarmee men greep kan krijgen op de eindeloze hang naar meer rijkdom. Deze beleidsinstrumenten zouden een samenleving voorzichtig in de richting van het goede leven kunnen duwen.

Maar is het aan de overheid om voor de burgers te bepalen hoe ze ‘goed’ moeten leven? De Skidelsky’s geven toe dat dit paternalistisch is, maar wel nodig om uit de ratrace te kunnen ontsnappen. De overheid dient het ‘goede leven’ echter niet voor te schrijven, maar zich te beperken tot het aanmoedigen en ontmoedigen van bepaalde soorten gedrag. Ze moet zich beperken tot een raamwerk waarbinnen iedereen kan invullen wat wenselijk is voor zichzelf. In feite maakt de overheid immers altijd keuzes voor de burger.

Dit boek is geen pleidooi voor ledigheid, maar voor meer vrije tijd in de ware zin. Als handelingen niet voorkomen uit noodzaak, maar omdat men het graag wil en er geen sprake is van onderdanigheid en geestdodendheid, spreek je niet meer van werk maar van vrije tijd. En als mensen het werk vrijwillig zouden kunnen beperken tot wat nodig is om in basisgoederen te voorzien, zouden ze meer vrije tijd hebben. Dit is het ideaal dat de auteurs voor ogen hebben.

Tegen deze visie valt natuurlijk een en ander in te brengen. Daar zijn de auteurs zich goed van bewust. Een aantal van deze bezwaren proberen ze reeds in de inleiding te pareren. Ze zijn overigens niet tegen economische groei op zich, maar ze verzetten zich tegen het idee van groei omwille van de groei. Economische groei moet een middel blijven in dienst van hogere waarden. Waarschijnlijk zullen velen die waarden kunnen beamen, maar het is jammer dat de auteurs hun keuze niet grondiger beargumenteerd hebben.

En hoeveel is nu eigenlijk genoeg? Daar kunnen de Skidelsky’s uiteraard geen concreet antwoord op geven. Zij willen vooral doen nadenken over de zin en onzin van de ratrace in het huidige economische systeem. En ze beperken zich tot het suggereren van beleidsinstrumenten waarmee de overheid de samenleving voorzichtig op weg kan zetten in de richting van het ‘goede’ leven.

Het is jammer dat dit werk als geheel niet echt onderhoudend en bevattelijk geschreven is, want het bevat zeer interessante inzichten. Zo leert u hoe de mantra van economische groei vaste voet aan de grond gekregen heeft. Om dit goed te begrijpen moet u echter beschikken over een gedegen voorkennis van economische theorieën en figuren, alsook van de klassieke filosofen en de literatuur. Meer toegankelijk is dan weer het weerwerk van de auteurs tegen de argumenten van de gelukseconomen en milieuactivisten inzake economische groei.

© Minervaria

Robert Skidelsky aan het woord

Written by minervaria

19 oktober 2014 at 10:28

Geplaatst in Economie, Filosofie, Politiek

De nieuwe religieuze intolerantie

leave a comment »

NussbaumM13NUSSBAUM, M., De nieuwe religieuze intolerantie. Een uitweg uit de politiek van de angst. (Vert. The New Religious Intolerance. Overcoming the Politics of Fear in an Anxious Age, 2012) A’dam, Uitg. Ambo, 2013, 320 pp. – ISBN 978 90 263 2640 0

‘Ooit, niet zo heel lang geleden, gingen Amerikanen en Europeanen prat op hun verlichte religieuze verdraagzaamheid.’ Martha Nussbaum zet meteen de toon. Die houding lijkt de afgelopen decennia drastisch veranderd, meer bepaald tegenover moslims. Anti-islamitische sentimenten nemen hand over hand toe, zowel in Europa als in de Verenigde Staten. Moslims worden op de arbeidsmarkt gediscrimineerd en het wordt hen moeilijk gemaakt om te leven volgens de regels van hun godsdienst.

De vooroordelen tegen moslims brengen mensen en overheden ertoe maatregelen te omarmen die regelrecht indruisen tegen de fundamenten van onze samenleving. Diezelfde vooroordelen kunnen bovendien misbruikt worden door politici die de bevolking willen ophitsen tegen bepaalde bevolkingsgroepen. Het is dringend nodig om de wortels bloot te leggen van de angst en achterdocht die tegenwoordig alle westerse samenlevingen ontsieren.

In een werkelijk gevaarlijke wereld is angst ontegensprekelijk een waardevolle emotie. Zonder angst zouden we blind zijn voor reële bedreigingen van leven en welzijn en ons niet beschermen tegen gevaren. Maar de religieuze angst die de westerse samenleving in haar greep heeft is niet op reële gevaren gebaseerd, maar op denkbeelden. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat deze angst de blik niet vertroebelt?

In de eerste plaats dienen mensen gelijk behandeld te worden. Wat voor de een geldt, geldt ook voor de ander. Iedere mens heeft het recht het eigen geweten te volgen. Vooroordelen en partijdigheid zijn laakbaar en vormen de grondslag van ethisch falen. We mogen ze dan ook in onze wetten en instituties niet tolereren. Moslims mogen niet anders behandeld worden op grond van hun religie.

Het tweede principe legt ons op om ons correct te informeren. In de gebruiken van een minderheid worden vaak onterecht gevaren voor de openbare orde en veiligheid gezien die we niet opmerken in de gewoonten van de meerderheid. Men mag zich niet vastklampen aan een beeld van moslims als mensen die allen hetzelfde zijn en allemaal een bedreiging vormen voor de veiligheid van de maatschappij.

Ten derde mogen we de zaken niet enkel door onze eigen bril bekijken. We hoeven niet in te stemmen met de doelstellingen van mensen die zich anders gedragen op grond van hun religie. Maar we kunnen proberen om ons in te leven in hun zienswijze. En we kunnen erkennen dat hun doelstellingen even zinvol zijn voor hen als onze eigen doelstellingen voor ons. Zo leggen we de basis voor respectvol samenleven.

Van ieder principe belicht de altijd scherpzinnige en bedachtzame Martha Nussbaum de valkuilen en mogelijkheden. Ze wijst op een fundamenteel verschil tussen de Europese en Amerikaanse houding tegenover nationale identiteit die de toepassing van deze principes in Europa heel wat moeilijker maakt. En ze illustreert haar heldere analyse uitvoerig met behulp van concrete situaties uit het verleden en het heden in Europa en de Verenigde Staten.

Deze drie leidende beginselen voor de democratische politieke praktijk verschaffen een leidraad om ons niet te laten meeslepen door de emotionele verwarring over de islam die onze samenleving verdeelt. Ze vormen de fundamenten van onze samenleving die gebouwd is op een eeuwenoude moraalfilosofie die terug gaat op Socrates en verder uitgewerkt werd door Emmanuel Kant. Deze legt de nadruk op de rechten die iedere mens op grond van zijn mens-zijn heeft.

Tegen deze zienswijze vallen uiteraard bezwaren in te brengen. Zo wordt het belang van wederkerigheid niet vermeld. De angst van de ‘autochtoon’ heeft echter ook te maken met de bezorgdheid dat moslims bovengenoemde rechten niet erkennen. In het licht van de toenemende radicalisering is een dergelijke angst wellicht niet helemaal ongegrond.

Midden de heftige emotionele beroering over de islam die de Westerse samenlevingen verdeelt is de doordachte rationele analyse van Martha Nussbaum een verademing. En ook als u het niet met haar eens bent is dit werk het lezen meer dan waard. Dit toegankelijke boek is een voorbeeld van zorgvuldig redeneren en biedt ruim stof tot nadenken en discussie.

© Minervaria

Written by minervaria

4 oktober 2014 at 21:09

Geplaatst in Filosofie, Maatschappij, Religie

Rechtvaardigheid

leave a comment »

SandelM12SANDEL, M., Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? (Vert. Justice; What is the right thing to do?, 2009) Uitg. Ten Have, 2012 (5e dr.), 349 pp. – ISBN 978 90 259 0182 0

Telde u als kind ook angstvallig terwijl de soepballetjes verdeeld werden of de taart in stukken gesneden? De behoefte aan rechtvaardigheid zit heel diep. Een oneerlijke behandeling roept teleurstelling en verontwaardiging op. Ze is de achtergrond van talloze familievetes en alle revoluties en opstanden vloeien voort uit onrecht.

In iedere samenleving worden inkomen en rijkdom, rechten en plichten, macht en mogelijkheden, ambten en eerbetoon verdeeld. Een rechtvaardige samenleving verdeelt deze zaken op de juiste manier. Ze geeft elk individu wat hem of haar toekomt. Het lijkt zo vanzelfsprekend.

Dat is het echter niet als we ons afvragen wat ieder mens toekomt en waarom. In democratische samenlevingen wemelt het van de meningsverschillen over rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid. In dit magistrale boek maakt Michael Sandel een kritische analyse van drie verschillende visies op rechtvaardigheid. Elke visie heeft een ander ideaal voor ogen.

De eerste visie, het utilitarisme, stelt dat de rechtvaardigheid van een maatregel of handeling afhangt van de uitkomst. Rechtvaardig is waar de samenleving als geheel beter van wordt. Het liberalisme daarentegen verbindt rechtvaardigheid aan vrijheid. Rechtvaardig is wat iemands vrijheid niet beknot. Iemand gebruiken of te dwingen in dienst van een collectief goed is onrechtvaardig.

Op het eerste gezicht valt voor beide zienswijzen iets te zeggen. Sandel toont echter haarscherp aan hoe beide opvattingen kunnen leiden tot moreel verwerpelijke toestanden. Mensen gebruiken als instrumenten voor het collectieve geluk is in strijd met de menselijke waardigheid. Ook in de uiterste consequenties van het neoliberalisme en het vrije marktdenken wordt deze met voeten getreden.

Dat de menselijke waardigheid een doorslaggevende morele maatstaf is geworden hebben we te danken aan Immanuel Kant. Hij ontwikkelde een van de meest overtuigende en invloedrijke theorieën over moraal ooit. Het morele gehalte van een handeling wordt niet bepaald door de consequenties en ook niet door de mate van vrijheid, maar door de intentie van waaruit de handeling is verricht. Een handeling is moreel juist wanneer ze ingegeven wordt door respect voor de persoon.

De morele plichtenleer van Kant vormt de inspiratie voor het moderne denken over universele mensenrechten. De politieke implicaties van zijn visie zijn door John Rawls in een indrukwekkende theorie van rechtvaardigheid gegoten. Als we willen weten wat rechtvaardig is, dan moeten we ons verplaatsen in een beginsituatie waar toevallige factoren als afkomst en talenten geen rol spelen. De theorie van Rawls is een overtuigend pleidooi voor een meer gelijke samenleving.

De filosofische theorieën van Kant en Rawls gaan uit van een neutrale basis voor rechtvaardigheid en rechten. Maar is het ideaal van het onbelaste en vrij kiezende individu wel realistisch? Er zijn immers tal van situaties waarin men moeilijk kan volhouden dat mensen alleen verantwoordelijk zijn voor wat ze zelf gekozen hebben. Hoe moet het bijvoorbeeld met loyaliteit en solidariteit met de gemeenschap?

Discussies over rechtvaardigheid gaan onvermijdelijk ook over wat mensen waardevol vinden in het leven. Dan komen we vanzelf terecht bij de derde visie op rechtvaardigheid, deze van Aristoteles. Rechtvaardig is wanneer aan mensen gegeven wordt wat ze verdienen. Iedereen behoort te krijgen wat hem/haar toekomt op basis van deugdzaamheid en verdienste.

Rechtvaardigheid op basis van een opvatting van een goede en juiste manier van leven is echter een heikel ideaal. Cultureel en religieus conservatisme gebruiken deze immers als rechtvaardiging voor repressie en onderdrukking van andersdenkenden. Want wat verdienen mensen en hoe bepaal je dat? Is het wel mogelijk om het in het openbaar oneens te zijn over het goede zonder tot godsdienstoorlogen te vervallen?

Michael Sandel meent van wel. Hij pleit voor een politiek van morele betrokkenheid, die gericht is op het algemeen belang en waarbinnen toch voldoende ruimte gelaten wordt aan de menselijke vrijheid. Als burgers met elkaar in discussie gaan over hun meningsverschillen in de plaats van ze uit de weg te gaan zullen ze elkaars opvattingen beter leren kennen. Dat kan een stevige grondslag zijn voor wederzijds respect.

Het is verleidelijk om op zoek te gaan naar een principe of procedure waarmee eens en voor altijd een rechtvaardige verdeling van inkomen, macht en kansen kan worden afgeleid. Michael Sandel toont op overtuigende wijze aan dat dit niet mogelijk is. Er bestaat geen recept voor een rechtvaardige samenleving. Er is nooit een garantie op eensgezindheid over wat belangrijk is.

Met Rechtvaardigheid hebt u een bijzonder boeiend boek in handen. U maakt kennis met verschillende morele dilemma’s en leert hoe filosofische argumentatie zich ontwikkelt. U krijgt een zeer verhelderende uiteenzetting van de meest invloedrijke ideeën over rechtvaardigheid. U krijgt geen sluitend antwoord op de vraag wat juist is. Maar u wordt uitgenodigd om uw eigen morele en politieke overtuigingen over rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

Het is bovendien een zeer toegankelijk werk. Ieder hoofdstuk begint met een samenvatting van voorheen besproken benaderingen en de tekortkomingen ervan. Met behulp van treffende voorbeelden worden abstracte stellingen en theorieën goed verteerbaar gemaakt. En omdat de auteur een begenadigd schrijver is laat de tekst zich vlot lezen.

© Minervaria

Written by minervaria

12 februari 2014 at 16:26

Geplaatst in Ethiek, Filosofie, Politiek

Tagged with