Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Sociologie’ Category

Compartimenten van vernietiging

leave a comment »

ddeSwaanA14e SWAAN, A., Compartimenten van vernietiging. Over genocidale regimes en hun daders. (Vert. The Killing Compartments. On genocidal regimes and their perpetrators, 2014) Soest, Uitg. Prometheus/Bert Bakker, 2014, 312 pp. – ISBN 978 90 351 4081 3

In de voorbije eeuw zijn over de hele wereld tientallen miljoenen weerloze mensen aan massaal geweld bezweken. Nietsontziend vermoordden goed georganiseerde en gewapende groepen mannen ongewapende, ongetrainde en ongeorganiseerde mensen die geen enkele kans maakten. Het geweld was massaal en gebeurde met volledig medeweten van de autoriteiten.

Waar kwam dat extreme geweld vandaan? Hoe valt te verklaren dat duizenden mensen zich plots te buiten gingen aan wreedheden tegenover medeburgers zonder enig verweer met wie ze tevoren vreedzaam samenleefden? Waren het echt gewone mensen die zich lieten leiden door die omstandigheden? En onder welke omstandigheden kunnen mensen gewelddadig worden?

Persoonlijke eigenschappen vormen geen voldoende verklaring voor dergelijke aberraties, zegt socioloog Abram de Swaan. Mensen opereren altijd in een sociaal-culturele context. Samenlevingen waar massavernietiging plaatsvindt zijn in sterke mate verdeeld in compartimenten. Er worden kunstmatige scheidslijnen opgetrokken tussen groepen mensen: de dominante, goede groep en de vijand, de slechte groep. Deze laatste wordt door het regime welbewust afgescheiden van de dominante groep en afgesneden van bescherming door de staat en haar voorzieningen.

Slachtoffers van massavernietiging worden ingedeeld bij een groep die tot een ander moreel en emotioneel compartiment behoort. Zo worden ze voorwerp van onverschilligheid. Die laat vervolgens toe dat ze in enclaves van wreedheid mishandeld en vermoord worden, terwijl in de rest van de samenleving een zekere mate van beschaving blijft bestaan.

Abram de Swaan onderzoekt hoe die scheidslijnen tussen groepen mensen kunnen ontstaan. Regimes cultiveren vaak historische thema’s om een vijandbeeld te creëren of latente vijandbeelden op te rakelen. Ze spelen in op de menselijke neiging om zich met een groep te identificeren en zich van een andere te onderscheiden. En ze rechtvaardigen het gebruik van geweld tegen de gewraakte groep door te verwijzen naar morele argumenten in het belang van de eigen groep.

Extreem gewelddadig gedrag is de mens immers niet vreemd. De menselijke geschiedenis staat bol van het massaal geweld. Lang werd de glorie van de overwinnaars afgemeten aan de hoeveelheid bloed die vergoten was. De opkomst en vorming van staten heeft de schaal van de vernietiging vergroot, doordat deze het geweldsmonopolie ook tegen de eigen burgers konden gebruiken. Nieuwe ideologieën en technologieën hebben hiertoe ook bijgedragen.

Toch laten niet alle mensen zich in dezelfde context verleiden om te moorden. Er zijn er zelfs die, vaak met gevaar voor eigen leven, zich juist inzetten om mensen te redden. Blijkbaar zijn er mensen die zich meer dan anderen laten lenen tot massavernietiging. Alhoewel pogingen om een daderprofiel te maken van massamoordenaars steevast op niets uitgelopen zijn, waagt de Swaan zich er toch aan. Hij gaat er terecht van uit dat de persoonlijkheid van mensen mede gevormd wordt door de sociale omstandigheden waarin ze opgroeien en verkeren.

De meeste massamoordenaars zijn inderdaad gewone mensen, zo besluit hij, die echter meer ‘geschikt’ zijn tot daderschap. Compartementalisering beïnvloedt niet alleen het maatschappelijk leven, maar doet zich ook gelden in de psychologische ontwikkeling van mensen. Zo valt ook te begrijpen dat de daders, eenmaal het moordende regime gevallen, gewoon overgaan tot de orde van de dag.

Dit vlot leesbare werk omvat een welkome en tegelijk kritische aanvulling op het werk van Daniel Goldhagen. Het maakt inzichtelijk hoe de wij-zijretoriek niet alleen de maatschappij maar ook de hoofden en harten van mensen binnensluipt en vergiftigt. Dit proces wordt concreet gemaakt in het verhaal van de belangrijkste massamoorden uit de voorbije eeuw. Compartimenten van vernietiging is een scherpe waarschuwing voor iedere ideologie die mensen als collectief benadert en hen indeelt in goede en slechte groepen.

© Minervaria

Advertenties

Written by minervaria

27 juni 2014 at 13:10

De dramaturgie van het dagelijks leven

leave a comment »

GoffmanE11GOFFMAN, E., De dramaturgie van het dagelijkse leven. Schijn en werkelijkheid in sociale interacties. (Vert. The Presentation of Self in Everyday Life, 1959). Utrecht, Erven J. Bijleveld, 2011 (3e dr.), 287 pp. – ISBN 978 90 6163 947 4

De wereld is een schouwtooneel
Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel

Joost Van den Vondel (1587-1679)

Het sociale leven kan vanuit verschillende invalshoeken bestudeerd worden. De gerenommeerde socioloog Erving Goffman inspireerde zich op het theater. Als mensen bij elkaar komen dan gedragen zij zich als personages die op het sociale toneel een voorstelling geven voor een publiek. Hoe ‘echt’ ook, de klant en de verkoper in een winkel, de patiënt en de arts in de spreekkamer, een groep gasten in het huis van de gastheer, ze spelen overal en altijd min of meer bewust een rol.

Wat verkopers, dokters, gasten en toneelspelers zeggen  verschilt nogal, maar de wijze waarop ze dat doen vertoont treffende gelijkenissen. De theaterwetenschap biedt daarom een geschikt kader om de technieken te bestuderen die mensen in alledaagse situaties hanteren om zich aan anderen te presenteren. De problemen van toneelproductie en –regie blijven immers niet beperkt tot het kleine kringetje van de theaterwereld, maar ze duiken overal in het sociale leven op.

Na een ietwat saaie inleiding, die je volgens de auteur ook kunt overslaan, analyseert hij sociale interacties als toneelvoorstellingen met alle kenmerken die daarbij horen. Het sociaal verkeer voltrekt zich op een podium. In de coulissen spelen zich ‘geheime’ interacties af die niet voor het publiek bestemd zijn. Als wij zo tuk zijn op televisieseries over het ziekenhuis dan is het omdat zij ons een blik gunnen achter die coulissen.

Als acteur in het sociale spel treden mensen doorgaans niet alleen op, maar als lid van een team of sociale instelling, zoals een gezin, een ziekenhuis, een bedrijf. Binnen die cast vervullen zij een welbepaalde rol. Al dan niet opzettelijk hanteren zij allerhande technieken om niet uit hun rol te vallen, zodat het beeld dat het team aan het publiek wil voorhouden geloofwaardig blijft.

En ingeval het toch mis loopt, beschikken de meeste ‘acteurs’ ook over technieken waarmee zij de voorstelling kunnen redden. Wie heeft niet genoten van populaire televisiereeksen als Keeping up appearances en You rang Mylord? Er worden natuurlijk karikaturen neergezet, maar ze hebben hun succes te danken aan de herkenbaarheid van de situaties.

Natuurlijk is het leven niet echt een toneelstuk. Mensen voeren doorgaans geen nummer op, maar zijn ervan overtuigd dat ze zichzelf zijn in de rollen die ze spelen. Maar als u de interacties tussen mensen door een dramaturgische bril observeert krijgt u een scherper zicht op de kronkels van de interactie tussen mensen. En als u zich realiseert dat u in het sociale verkeer eveneens een voorstelling opvoert, bekijkt u het doen en laten van anderen met een mildere blik.

Het dramaturgisch perspectief heeft de moderne visie op het sociaal verkeer tussen individuen en tussen sociale instellingen diepgaand beïnvloed. Dat dit boek na meer dan vijftig jaar nog wordt uitgegeven is veelbetekenend. Het is wellicht niet geschreven voor een ruim publiek, maar het betoog is toch vrij goed te volgen. Er wordt een minimum aan vakterminologie gebruikt en de theorie wordt rijkelijk met voorbeelden uit het dagelijkse leven gestoffeerd.

© Minervaria

Written by minervaria

13 september 2013 at 19:20

Het is maar een peiling

leave a comment »

THEVISSEN, F., Het is maar een peiling. Opiniepeilingen in de media: van wetenschap tot wichelarij? Kalmthout, Uitg. Pelckmans, 2011, 337 pp. – ISBN 978 90 289 5104 4

Werd u in de aanloop naar de komende gemeenteraadsverkiezingen uitgenodigd om mee te delen voor wie u van plan bent te stemmen? Kreeg u een inkijk in de keuken van dat onderzoek? Vraagt u zich ook af hoe men aan de resultaten komt? En wat moet u ervan denken als de resultaten van de ene peiling een paar dagen later helemaal anders zijn in een andere? Aan dit boek begon ik dus met hooggespannen verwachtingen. Als docent Strategische Communicatie aan de Vrije Universiteit Brussel had de auteur immers zelf een omvangrijke opiniepeiling ontwikkeld.

Peilingen naar politieke voorkeur geven de politici behoorlijk wat kopzorgen. Politici zijn dus steeds op hun hoede voor de beeldvorming die electorale peilingen kunnen veroorzaken. De resultaten worden immers lang en breed in de media uitgesmeerd. Maar is dat terecht? Is een peiling beter dan het lezen van horoscopen of het voorspellen van de toekomst uit de lever van een schaap?

Wat is de waarde van een peiling naar de politieke voorkeur van mensen? Wie peilt wat en welke obstakels lonken daarbij om de hoek? Waarom voorspellen peilingen de verkiezingsuitslagen zelden correct en nooit nauwkeurig? En beïnvloeden ze daadwerkelijk onze politieke voorkeur? Hoe betrouwbaar zijn de resultaten, hoe vakbekwaam zijn de opiniepeilers en hoe onafhankelijk de media die over peilingen berichten? En welke mogelijkheden bestaan er om beter te peilen naar onze politieke houdingen en electorale voorkeuren?

Het is maar een peiling bundelt voor het eerst de antwoorden op deze en veel andere netelige vragen, zo kondigt Frank Thevissen met veel aplomb aan. We krijgen een rondleiding in de achterkamers van onze opiniepeilingenindustrie en de onthulling van de machinaties achter politieke peilingen. Hij belooft populaire en diepgewortelde clichés te doorprikken, die over peilingen de ronde doen en de wetenschappelijke pretentie van academici te demystificeren. Hij zal de gebrekkige methodologische en deontologische hygiëne blootleggen die bij opiniepeilingen aan de dag wordt gelegd. En dat alles zal hij doen op een manier die toegankelijk is voor de statistische leek.

Behalve de laatste worden die beloften uitgebreid waargemaakt. Thevissen ontkracht een aantal wijdverbreide misvattingen over opiniepeilingonderzoek. Hij legt uit hoe het komt dat de resultaten van peilingen zo sterk van elkaar kunnen verschillen. Hij onthult de problemen en valkuilen die een electorale peiling kunnen teisteren en doet aanbevelingen voor oplossingen. Hij dompelt ons vooral onder in de onverkwikkelijke en verbeten strijd tussen politici, de pers en wetenschappers achter de schermen van electorale peilingen. Voor wie er nog aan twijfelde wordt het duidelijk waarom de meeste peilingen geen enkele voorspellende waarde hebben.

Niettemin heeft dit boek mij zeer teleurgesteld. Waar de eerste hoofdstukken nog redelijk informatief zijn, verzandt het betoog gaandeweg steeds meer in een persoonlijke afrekening met de pers en met een hele reeks politici en collega-wetenschappers. Thevissen laat geen gelegenheid voorbij gaan om bepaalde mensen, vooral proffen en journalisten, een veeg uit de pan te geven. Al heel snel vroeg ik me af of hij soms ergens naar buiten gebonjourd was. Dat vermoeden bleek te kloppen.

De titel suggereert een objectief boek over het reilen en zeilen van een peiling. De helft is echter een smeuïg roddelverhaal vol ressentiment en persoonlijke ruzies dat niet zou misstaan in Story of Panorama, maar dat weinig bijdraagt aan het onderwerp zelf. Wat heeft de lezer die meer wil weten over peilingen eraan om tot in de kleinste details deelgenoot gemaakt te worden van de vetes en het onderling gepest bij De Stemmenkampioen, het eigen peilingproject van de auteur?

Natuurlijk is Thevissen als insider goed geplaatst om de lezer wegwijs te maken in de netwerken, de intriges en de cijferzwendel die de media ons niet vertellen. Maar kon dit niet op een andere manier? Thevissen zou toch moeten weten dat wie, al dan niet terecht, met zoveel ijver het vizier op anderen richt, zelf argwaan oproept? Sommige passages in het boek blijken met peilingen zelfs niets van doen te hebben. Wat komt de affaire De Gucht bijvoorbeeld doen in dit boek?

De beloofde toegankelijkheid blijkt bovendien een brij van ondoorzichtige vaktaal, die op de duur alleen nog te volgen is voor wie behoorlijk wat kaas gegeten heeft van statistiek. Dat kan de begrippenlijst achteraan in het boek nauwelijks verhelpen. En de tekst wordt ontsierd door een onaanvaardbaar groot aantal taal- en tikfouten (bv. ‘richten ze hun peilen op’ – blz. 231) en slordigheden, zoals verkeerd geplaatste komma’s.

Van het hele boek is het besluit het meest waardevol. Over de resultaten van peilingen moeten we ons niet druk maken. Ze zijn niet meer dan een momentopname en hun voorspellende waarde is gering. Peilingen zetten voornamelijk de besloten wereld van marktonderzoekers, politiek en journalistiek in rep en roer. Maar om dat te weten hoefde ik dit boek niet te lezen. De resultaten van de echte verkiezing zijn daarvoor meestal voldoende verrassend.

© Minervaria

Written by minervaria

6 oktober 2012 at 18:51

Informalisering

leave a comment »

WOUTERS, C., Informalisering. Manieren en emoties sinds 1890. A’dam, Uitg. Bert Bakker, 2008, 388 pp. – ISBN 978 90 351 3289 4

De buren met de voornaam aanspreken, zoenen in het openbaar, in gesprekken onverbloemd kenbaar maken dat je het er niet mee eens bent. Nu is het gewoon, tachtig jaar geleden was het niet denkbaar. In de Westerse samenlevingen werden heel wat omgangsvormen overboord gegooid die in de loop van de vorige eeuwen gemeengoed waren.

In de twintigste eeuw zijn overal in het Westen de regels voor goede manieren soepeler en gevarieerder geworden. Tegelijk zijn steeds meer mensen deze manieren gewoon en goed gaan vinden. Vergeleken met de voorgaande eeuwen zijn ze bovendien veel vrijer om hun emoties te tonen. Dit informaliseringsproces begon volgens de socioloog Cas Wouters aan het einde van de negentiende eeuw.

Op het eerste zicht is dit een eigenaardige evolutie. In 1976 beschreef de gerenommeerde socioloog Norbert Elias hoe het gedrag van mensen vanaf de Renaissance tot het einde van de negentiende eeuw steeds meer aan strikte en gedetailleerde regels werd onderworpen. Een aantal van die regels werden mettertijd in wetten gegoten, andere werden als goede manieren of omgangsvormen nageleefd, tenminste voor wie als beschaafd wilde doorgaan. Een geciviliseerde mens snoot bijvoorbeeld zijn neus in een zakdoek en at met vork en mes.

Wie zich gedroeg toonde dat hij tot de betere kringen hoorde. Om op de sociale ladder te stijgen diende men zich verfijnde omgangsvormen eigen te maken. En aangezien in de Westerse samenleving, onder druk van de arbeidsdeling, de sociale klassen steeds nauwer verweven raakten, waren er steeds meer mensen die dat deden. Het resultaat was dat goede manieren vanzelfsprekend werden en deel gingen uitmaken van de persoonlijkheidsstructuur of de habitus van mensen. Het Westen werd steeds ‘beschaafder’.

Dat proces kreeg een wending aan het einde van de negentiende eeuw. Cas Wouters bestudeerde een groot aantal etiquette- of manierenboeken van verschillende landen uit de periode tussen 1890 en het begin van de eenentwintigste eeuw. De manieren werden gaandeweg losser. Ongedwongenheid en spontaneïteit werden overal de norm. In bepaalde decennia verschenen zelfs helemaal geen nieuwe boeken over ‘hoe het hoorde’. Hoe komt dat?

De verklaring ligt in aanzienlijke veranderingen in de sociaaleconomische verhoudingen van die periode, zegt Wouters. De sociale mobiliteit nam toe en mensen van allerlei slag kwamen vaker met elkaar in contact. Steeds meer mensen deelden in de groei van de welvaart. De verschillen in macht en rang tussen mensen werden kleiner en alle mensen werden ‘gewoner’.

In deze toenemende sociale vermenging en democratisering werden openlijk vertoon van minachting en andere uitingen van superioriteit onaanvaardbaar. Manieren, als instrument om afstand te houden en ‘andere’ mensen buiten te sluiten of af te wijzen, kwamen in een kwade reuk te staan. De etiquetteboeken benadrukken steeds meer de noodzaak van vriendelijkheid in de menselijke omgang. Rekening houden met de gevoelens van anderen werd de norm bij goede omgangsvormen.

Als je met mensen van alle slag moet kunnen omgaan heb je immers niets aan starre gedragsregels, die alleen gelden binnen de eigen coterie. Van een moderne westerling wordt verwacht dat hij met iedereen, althans oppervlakkig, overweg kan. Flexibiliteit en ongedwongenheid zijn dus de norm geworden, evenals de bereidheid tot het sluiten van compromissen. Dat wij dit intussen vanzelfsprekend zijn gaan vinden illustreert hoezeer dit intussen deel geworden is van onze persoonlijkheidsstructuur.

In de Westerse landen gaan mensen van verschillende sociale klassen op verschillende wijze met elkaar om. Wouters maakt die verschillen en eigenheden begrijpelijk. Hij legt verband tussen de sociale en politieke geschiedenis van een land en de oorsprong van de ‘volksaard’. Maar de neergang van formele regels voor omgangsvormen verliep overal gelijkaardig, zij het met verschillende uitkomst.

Met het model van informalisering kunnen volgens Wouters veel andere, zowel historische als hedendaagse, perioden van sociale vermenging bestudeerd en begrepen worden. Mensen die afkomstig zijn uit landen waar de sociale afstand tussen de verschillende klassen veel groter is, hebben vaak moeite met onze informele omgangsvormen en de nadruk op onderhandeling en overleg, die wij als vanzelfsprekend ervaren.

Anders dan we geneigd zijn te denken, zijn de lossere zeden dus niet iets van de laatste decennia, maar omspant dit proces al meer dan een eeuw. Toch is dat geen reden om niet attent te zijn op de teloorgang van goede manieren. Informalisering mag dan wel een meer ongedwongen omgang gebracht hebben, de keerzijde is een verruwing en vergroving van de omgangsvormen. Er wordt geklaagd over het gebrek aan ‘beschaving’ in onze samenleving. Geregeld gaan stemmen op om waarden en normen in ere te herstellen. Goede manieren en etiquette zullen nooit overbodig worden.

In een interessante bijlage legt Wouters trouwens parallellen met de regulering van de globaliserende arbeidsmarkt. De globalisering heeft, zowel in de rijke westerse samenlevingen met hoge lonen als in de arme lageloonlanden, een deregulering gebracht. Die biedt bedrijven meer bewegingsruimte maar heeft de positie van arbeiders verzwakt. In de hogeloonlanden ging aan de informalisering van de arbeidsverhoudingen echter aanzienlijke regulering of formalisering vooraf. In de lageloonlanden was dit doorgaans niet of nauwelijks het geval. Daar bestaat het risico dat het ‘recht van de sterkste’ zegeviert.

Hoewel een wetenschappelijke studie, is dit boek vrij toegankelijk geschreven. Het bevat ook een boeiend hoofdstuk over de geschiedenis van manieren in Europa vanaf de hofsamenleving tot de victoriaanse periode.

© Minervaria

Written by minervaria

30 april 2011 at 08:07

Geplaatst in Maatschappij, Sociologie

Tagged with

De trek naar de stad

leave a comment »

SAUNDERS, D., De trek naar de stad. (Vert. Arrival City, 2010) A’dam, De Bezige Bij, 2010, 416 pp. – ISBN 978 90 234 5881 4

Favela’s, bustees, shantytowns, bidonvilles, slums of barrio’s in de ontwikkelingslanden en immigrantenwijken, etnische buurten, banlieues difficiles, chinatowns, Little India’s of migrant suburbs van de rijke landen, met hun geïmproviseerde woningen bieden ze een troosteloze aanblik. Ze worden algemeen beschouwd als toevluchtsoord voor de berooide mislukkelingen en verschoppelingen van de geïndustrialiseerde samenleving.

De mensen die er wonen zien het echter anders. Voor hen is de wanorde en vuiligheid van voorbijgaande aard. Bijna zonder uitzondering komen deze families van het platteland. Met de verhuizing naar de stad hebben ze een doordacht risico genomen. De inkomens zijn er hoger, het onderwijs beter en er is meer mogelijkheid om vooruit te komen en de armoede te ontstijgen. De sloppenwijk geeft op zijn minst hoop op een verbetering van het bestaan.

Het plattelandsleven is immers helemaal niet zo romantisch als het voorgesteld wordt. Daar heerst ondervoeding, de kindersterfte is er hoog en de levensverwachting laag. De meeste mensen wonen niet op het platteland omdat het leven daar beter is, maar omdat ze in de val zitten. Als mensen eenmaal in steden zijn gaan wonen of naar verstedelijkte landen zijn gemigreerd, keren ze vrijwel nooit terug. Ondanks alle vuiligheid is dit het betere bestaan.

De journalist Doug Saunders heeft tientallen jaren te midden van deze enclaves gewoond. Hij ontdekte dat er in deze onaantrekkelijke sloppenwijken over de hele wereld een opmerkelijk gelijke en onstuitbare dynamiek heerst. Onder vaak zeer moeilijke omstandigheden werken de bewoners er volhardend en inventief aan hun sociale mobiliteit. Ze leven in een grensgebied tussen platteland en stad, een overgangsruimte die Saunders de stad van aankomst noemt.

Overheden hebben de afgelopen zestig jaar veel inspanningen gedaan om het ontstaan van steden van aankomst te voorkomen, omdat ze als last werden beschouwd en gewantrouwd. Wie nauwkeuriger observeert, ontdekt echter hoe belangrijk deze wijken zijn, niet alleen voor de ontwikkeling van de bewoners en hun families, maar voor de stad zelf en de wereld in het algemeen. De buurt zelf lijkt onveranderlijk arm en gesegregeerd te blijven, maar heel wat bewoners schuiven op termijn door naar de middenklasse.

Wetenschappers en functionarissen beginnen nu ook in te zien dat buurten van rurale migranten van cruciaal belang zijn voor de toekomst van de stad en van het platteland. De steden van aankomst zijn de plaatsen waar de volgende grote economische en culturele hausse zich zal voordoen. Overal ter wereld zorgt de financiële steun van de bewoners van de stad van aankomst voor een effectieve en duurzame verbetering van de levensomstandigheden in de dorpen.

Een stad van aankomst kan echter niet op eigen houtje fungeren als springplank naar een beter bestaan. Daarvoor is in de eerste plaats werkgelegenheid nodig. Om haar verder goed te laten functioneren zijn door de overheid bekostigde voorzieningen en ondersteuningsmaatregelen nodig waarvoor de vrije markt niet instaat: onderwijs, openbaar vervoer, gezondheidszorg, veiligheid. Als de stad van aankomst aan haar lot wordt overgelaten, en de bewoners niet de mogelijkheid krijgen om stedelingen te worden en het burgerschap te verwerven, loopt ze het risico uit te groeien tot een conflicthaard en bakermat van fundamentalisme.

Het migratiebeleid van veel geïndustrialiseerde landen is kortzichtig, stelt Saunders. In veel West-Europese landen, in Canada, de Verenigde Staten en Australië spannen overheden zich te weinig in om haar beter te laten functioneren. Ze doen alsof zich geen migratie van dorpsbewoners zal voordoen of menen dat deze migratie permanent kan worden beëindigd of weggefiltreerd. Daarmee ontnemen zij niet alleen een grote groep ondernemende mensen de kans om hogerop te komen. Zij lopen het risico dat ze er zelf op achteruit gaan.

Over de hele wereld zal het traditionele boerenleven voor het einde van deze eeuw uitgestorven zijn, voorspelt hij. Het overgrote deel van de mensheid zal dan in een stad of verstedelijkt gebied wonen. Goed aangepakt en begeleid zal de onstuitbare verstedelijking de mensheid welvaart brengen, de kindersterfte doen afnemen en de bevolkingsgroei afremmen. Landen kennen zelden economische groei wanneer ze migratie van het platteland naar de stad verbieden of beperken. Als er geen verstedelijking plaatsvindt, stagneert de economie en lijden de mensen vaak gebrek.

Doug Saunders vertelt het verhaal van steden van aankomst over de hele wereld. Hij laat ons zien hoe ze ontstaan zijn en zich ontwikkelen, en verheldert de factoren die bijdragen tot hun succes of mislukking. Een uitermate ingewikkeld fenomeen wordt door hem op een genuanceerde en inzichtelijke manier uitgelegd. Hij maakt taai sociologisch onderzoek voor de modale lezer verteerbaar.
Omdat hij bovendien de bewoners zelf aan het woord laat, kijk je door hun ogen naar de stad van aankomst. Dat biedt een frisse, intrigerende kijk op armoede en sociale mobiliteit.
Mede door de vlot leesbare tekst kon dit boek mij van begin tot eind boeien.

Toch een bedenking. In dit boek wordt de gestage verstedelijking als een hoofdzakelijk positieve evolutie voorgesteld. Op de te verwachten problemen en uitdagingen van de toenemende verstedelijking in de wereld gaat Saunders niet in.
Dit boek blijft niettemin een echte eye-opener en tevens niet zomaar een aanrader, maar een must!

© Minervaria

Lees ook:

Written by minervaria

11 februari 2011 at 12:03

Geplaatst in Maatschappij, Politiek, Sociologie

Tagged with

De haat tegen het Westen

leave a comment »

ZIEGLER, J., De haat tegen het Westen. Het verhaal van de economische oorlog tussen arme en rijke landen. (Vert. La Haine de l’Occident, 2008) A’dam, Uitg. Balans, 2010, 266 pp. – ISBN 978 94 600 3286 8

Sedert de aanslagen op het WTC in 2001 is het Westen in verhoogde staat van paraatheid. Het mondiale terrorisme kan gelden als een symptoom van de groeiende haat van de volkeren van het Zuiden tegen het Westen. Jean Ziegler, oud-hoogleraar sociologie in Genève en voormalig speciaal gezant voor de Verenigde Naties, onderzoekt waar deze afkeer vandaan komt en waarom ij nog steeds toeneemt.

De haat wortelt in de eerste plaats in het verleden. De volkeren van het Zuiden ervaren zichzelf als slachtoffers van twee misdaden van het Westen: de slavenhandel en de koloniale verovering. Die brachten overal en altijd de vernietiging van de cultuur mee, van de eigen identiteit, van het culturele geheugen en de emotionele banden van de onderdrukte volken. Daarvoor eisen ze rechtsherstel, financiële compensatie en boetvaardigheid.

En de haat neemt toe omdat de westerse landen een koloniale politiek blijven voeren. De democratische waarden die ten grondslag liggen aan de grondwetten van de westerse landen stoppen bij de grens. Het Westen schrijft anderen de wet voor maar past ze zelf niet toe. Ondanks alle retoriek over universele waarden van gelijkheid, vrijheid en zelfbeschikking legt het de landen van het Zuiden een economisch systeem op waar het vooral zelf rijker van wordt.

Van op de eerste rij observeerde Ziegler de arrogantie waarmee het Westen multilaterale onderhandelingen blokkeert. Het streven van de volkeren uit het Zuiden naar een billijke en rechtvaardige wereldorde wordt noch gehoord noch begrepen. In het afgelopen decennium hebben de westerse mogendheden, gesteund door het IMF en de Wereldhandelsorganisatie, een beleid gevoerd dat rampzalig heeft uitgepakt voor de onderontwikkelde landen. Nergens ter wereld is er substantiële vooruitgang geboekt in de voorgenomen strijd tegen epidemieën, honger, extreme armoede, vrouwendiscriminatie en gebrekkig schoolbezoek. Dit waren in 2000 nochtans de Millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties.

Daartegen wordt vaak ingebracht dat de deplorabele toestand van de bevolking in de landen van het Zuiden door hun eigen machthebbers geschapen en bestendigd wordt. Die corrupte inlandse despoten kunnen echter slechts aan de macht blijven omdat ze in de kaart spelen van de Westerse economische belangen. Ziegler beschrijft de wraakroepende situatie in Nigeria, de achtste olieproducent ter wereld. De oliewinning zou het land steenrijk kunnen maken en iedere inwoner scholing, gezondheidszorg en een behoorlijk inkomen bieden. Onder een ijzeren regime, dat iedere vorm van opstand onwaarschijnlijk maakt, heersen echter uitzichtloze armoede en schrijnende ongelijkheid.

Daartegenover plaatst hij het hoopvolle verhaal van Bolivia. Na 500 jaar uitbuitende kolonisatie en meedogenloze onderdrukking werd daar de eerste indiaanse president in Zuid-Amerika verkozen. Op doordachte en vreedzame wijze heeft deze de natuurlijke rijkdommen genationaliseerd en de meerinkomsten aangewend ter bestrijding van de armoede. Toch is ook daar niet alles goud wat blinkt. De veranderingen verlopen traag en moeizaam en er moet weerwerk geboden worden tegen demagogen die etnisch nationalisme en racisme prediken.

Identiteit en wereldburgerschap zijn echter niet met elkaar in tegenspraak, zegt Ziegler. Alle mensen verlangen naar gezondheid, onderwijs, kennis, bestaanszekerheid, vast werk, een regelmatig inkomen, ze willen allemaal hun gezin beschermen tegen vernederingen, hun burgerlijke en politieke verantwoordelijkheden kunnen uitoefenen, ver van alle willekeur, beschermd tegen onheil dat hun waardigheid aantast. Het hangt af van de solidariteit van het Westen met het zuidelijk halfrond of er een leefbaarder, waardiger wereld komt met respect voor de mensenrechten, een eerlijke verdeling van hulpbronnen, gerechtigheid en gelijke behandeling van alle landen.

Als lid van de commissie voor de mensenrechten van de Verenigde Naties heeft Jean Ziegler de hele wereld bereisd. Daardoor heeft hij een goed inzicht gekregen in wat niet-westerse mensen beweegt. Zijn vlijmscherpe aanklacht tegen de wijze waarop de westerse mogendheden zich de zeggenschap over de wereldpolitiek en –economie eenzijdig toe-eigenen kan ons moeilijk onberoerd laten.

Bij dat rauwe verhaal blijf ik toch zitten met een wrang en onvoldaan gevoel. Ziegler klaagt aan maar draagt slechts algemene, sloganeske oplossingen aan.
Moet ik mij bovendien schuldig voelen over wat de machtigen der aarde uitvreten? Als zelfs de auteur, die deel uitmaakte van een VN-commissie, zo machteloos bleek, kan dit toch zeker niet zijn bedoeling geweest zijn. Gewone stervelingen hebben een gering aandeel in de onrechtvaardige behandeling van de Zuiderse volkeren, zowel in het verleden als in het heden.

Het verhaal van Ziegler is dus zeker eenzijdig en doet geen recht aan de complexe realiteit van de verhoudingen tussen de geïndustrialiseerde wereld en de ontwikkelingslanden, en deze binnen die landen zelf.
Maar het geeft weer hoe de Zuiderse volkeren tegen die machtsverhoudingen aankijken. En het confronteert ons zonder omhaal met de ongemakkelijke realiteit dat onze welvaart voor een groot deel op hun onmenselijke levensomstandigheden gebouwd is.

© Minervaria

Aansluitend:

Die dunkle Seite der digitalen Welt

Written by minervaria

7 januari 2011 at 09:04

Godsdienst en samenleving

leave a comment »

DEKKER, G. & H.C. STOFFELS, Godsdienst en samenleving. Een introductie in de godsdienstsociologie. Kampen, Uitg. Kok, 2005 (6e dr.), 239 pp. – ISBN 90 435 0398 3

Deze inleiding is een grondig herziene uitgave van een vorig studieboek. Het boek heeft niet alleen een andere indeling gekregen, het is ook geactualiseerd en beter afgestemd op het onderwijs. Het is in de eerste plaats bestemd voor studenten in het wetenschappelijk en het hoger beroepsonderwijs.

Godsdienstsociologie is de wetenschap die de wederkerige relatie tussen godsdienst en samenleving bestudeert, meer bepaald de invloed die zij op elkaar uitoefenen. Studie van de religieuze factor in de samenleving is belangrijk omdat godsdienst in veel situaties en met betrekking tot veel problemen en levensterreinen een min of meer sterke rol speelt.

De moderne godsdienstsociologie bestudeert godsdienst als maatschappelijk verschijnsel, en schenkt niet alleen aandacht aan de traditioneel christelijke godsdienstigheid en groeperingen binnen kerken. Ook andere vormen van godsdienstigheid en de nieuwe religieuze bewegingen zijn onderwerp geworden van onderzoek. Godsdienstsociologie bestudeert ook het ontstaan en bestaan van godsdiensten in samenhang met het hele samenleven. Dit wordt in sommige kringen als bedreigend ervaren, en roept verzet op tegen een sociologische bestudering van godsdienst en kerk.

Godsdienstsociologie doet echter geen uitspraken over het waarheidsgehalte van een bepaald geloof of de superioriteit van de ene godsdienstige traditie boven de andere. De godsdienstsociologie houdt zich ook niet bezig met het toetsen van de echtheid van religieuze ervaringen.

Godsdienst wordt door de auteurs omschreven als “de betrokkenheid van mensen op een als transcendent ervaren werkelijkheid”. Hiermee maken ze geen onderscheid tussen religieuze bewegingen met meer of minder geïnstitutionaliseerde vorm of een duidelijke godservaring. Deze omschrijving laat toe een grote verscheidenheid van religieuze bewegingen in het onderzoek te betrekken.

Zoals het een inleiding betaamt, krijgt de lezer van het hele gebied slechts de hoofdlijnen gepresenteerd, en dan nog vooral de stand van zaken in Nederland. Het is duidelijk dat die tijdsgebonden is, en daarom wordt in het laatste hoofdstuk een poging gedaan om toekomstige ontwikkeling te schetsen. Een belangrijke vaststelling is dat de religiositeit in en ondanks de (post)moderne samenleving niet afneemt. Kerkelijkheid en godsdienst in het algemeen zullen waarschijnlijk wel aan invloed inboeten. De toekomst zal echter in belangrijke mate gekenmerkt worden door godsdienstige pluraliteit en individualisering. Er is ook een sterke tendens naar vage transcendentie, het monotheïstische godsbeeld krijgt minder bijval.

Ondanks het inleidende aspect van dit boek, is de inhoud zeer rijk zowel aan terminologie als aan inzichten. Het fenomeen godsdienst wordt zeer genuanceerd en veelzijdig benaderd. Enkele thema’s: godsdienst en modernisering, secularisatie, ontkerkelijking, de functie van godsdienst in de samenleving, veranderingen op godsdienstig gebied.
Temidden de verhitte discussies over de voors en tegens van godsdienst, is deze objectieve benadering een verademing!

Het boek is makkelijk te lezen. De lopende tekst staat aan de rechterkant, op de tegenoverliggende pagina zijn illustratieve teksten opgenomen bij de hoofdtekst.

© Minervaria

Written by minervaria

5 december 2006 at 20:47