Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Ethiek’ Category

Atheïsme als basis voor de moraal

with 2 comments

VerhofstadtD14VERHOFSTADT, D., Atheïsme als basis voor de moraal. A’pen/Utrecht, Uitg. Houtekiet, 2013, 325 pp. – ISBN 978 90 8924 256 3

Waar men regeert in naam van God gaat de mens ten onder. (blz. 274)

In een interview met Joannie de Rijke (Knack, Nr. 7 van 11-17 februari 2015) zegt voormalig jihadist Morten Storm: “Maar hoe meer ik me engageerde in mijn religie, hoe meer ik mensen begon te haten. Als salafist voelde ik mij verheven boven de gewone mens. Wij waren beter dan andere moslims, beter dan iedereen die er andere gedachten op na hield. Daarom ben ik nu atheïst. Religies leren je dat alleen zij de waarheid in pacht hebben. De rest van de wereld heeft het mis en leeft met een valse waarheid. God haat hen en als gelovige haat je hen ook. Op den duur voel je zelfs geen empathie meer.”

Dit is in een notendop waarom religie niet de bron kan zijn van moraal. De ethiek moet definitief losgemaakt worden van allerlei religieuze denkbeelden, stelt Dirk Verhofstadt en hij toont uitvoerig aan waarom dit zo is. Atheïsme kan de grondslag zijn voor een verheven moraal die niet God maar de mens centraal stelt. Na de opkomst van de IS en de aanslag op Charlie Hebdo is dit heldere en goed leesbare boek zeer actueel.

Ongetwijfeld kunnen religies een opbouwende rol spelen in de samenleving en zorgen voor naastenliefde, verdraagzaamheid en meer samenhang tussen mensen. Maar diezelfde religies bezondigden zich in de loop van de geschiedenis doorlopend aan uitsluiting en onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden. In naam van God werden de gruwelijkste misdaden gepleegd en miljoenen mensen in diepe ellende gestort.

Elke godsdienst beschikt bovendien over een batterij aan symbolen, regels en normen die gelovigen aanmanen om hun God te behagen, zo niet wacht hun rampspoed en onheil. Maar bestaat die God wel? Een kritische doorlichting van de godsbewijzen toont aan dat ze alle mank lopen. Er is nog geen enkel sluitend bewijs ontdekt voor het bestaan van God. Er is gerede evidentie dat er helemaal geen God bestaat.

Ook het idee dat een moraal enkel en alleen kan bestaan op basis van een metafysische of bovennatuurlijke macht is een wijdverspreid misverstand. Onze moraal is niet gebaseerd op religie, maar op waarden en normen die door mensen overeengekomen zijn om een harmonieus samenleven mogelijk te maken. De moderne inzichten in de evolutie van de mens tonen aan dat mensen in staat zijn om een morele code te ontwikkelen. Die beoogt het vermijden van het onvrijwillig ondergaan van pijn.

Zo waren er reeds in de Oudheid verschillende ethische systemen die geen beroep doen op goddelijke tussenkomst maar het resultaat zijn van rationeel denken. Ze bieden een houvast aan al wie de keuze moet maken tussen goed en kwaad. Ethisch goed handelen dat gebaseerd is op de rede en op empathie is trouwens moreel hoogstaander dan regels gebaseerd op goddelijke geboden. “We moeten het goede niet doen omwille van een of andere God, maar uit diepe overtuiging dat elke mens recht heeft op waardigheid, zelfbeschikking en een leven met zo min mogelijk pijn en lijden.”, aldus Verhofstadt (blz. 274)

Omdat God en zijn geboden geen waarborg bieden voor ethisch handelen zijn er morele regels nodig die volkomen los staan van welke religie ook. Zeker in een multiculturele samenleving is er dringend nood aan een universele seculiere moraal. Die wordt verschaft door het seculier humanisme dat de rechten en vrijheden van elk individu centraal stelt, zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

De titel zal gelovigen waarschijnlijk afschrikken, maar dat is onterecht. Want dit boek is geen pamflet tegen religie, het is een pleidooi voor tolerantie. Het zet wel een paar hardnekkige misverstanden recht. In tegenstelling tot wat velen denken, betekent atheïsme niet dat godsdienst verboden wordt. Iedere mens gelooft wat hij wil, maar niemand mag zijn religie opdringen aan een ander. In het publieke domein moeten we er echter van uitgaan dat er geen God bestaat.

Goddeloosheid staat bovendien helemaal niet gelijk aan zedeloosheid en barbarij. In dit boek wordt overtuigend aangetoond dat een atheïstische levensbeschouwing perfect verzoenbaar is met een moreel hoogstaande levenswandel. Dirk Verhofstadt op bladzijde 274: “We hebben geen religie nodig om te beseffen dat we medemensen in nood moeten helpen, dat we hulpvaardig moeten zijn, dat we zorg moeten dragen voor de zwakkeren, dat we eerbied moeten hebben voor andere levende wezens, dat we ons moeten inzetten voor het milieu en de biodiversiteit.”

© Minervaria

Written by minervaria

25 februari 2015 at 22:00

Rechtvaardigheid

leave a comment »

SandelM12SANDEL, M., Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? (Vert. Justice; What is the right thing to do?, 2009) Uitg. Ten Have, 2012 (5e dr.), 349 pp. – ISBN 978 90 259 0182 0

Telde u als kind ook angstvallig terwijl de soepballetjes verdeeld werden of de taart in stukken gesneden? De behoefte aan rechtvaardigheid zit heel diep. Een oneerlijke behandeling roept teleurstelling en verontwaardiging op. Ze is de achtergrond van talloze familievetes en alle revoluties en opstanden vloeien voort uit onrecht.

In iedere samenleving worden inkomen en rijkdom, rechten en plichten, macht en mogelijkheden, ambten en eerbetoon verdeeld. Een rechtvaardige samenleving verdeelt deze zaken op de juiste manier. Ze geeft elk individu wat hem of haar toekomt. Het lijkt zo vanzelfsprekend.

Dat is het echter niet als we ons afvragen wat ieder mens toekomt en waarom. In democratische samenlevingen wemelt het van de meningsverschillen over rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid. In dit magistrale boek maakt Michael Sandel een kritische analyse van drie verschillende visies op rechtvaardigheid. Elke visie heeft een ander ideaal voor ogen.

De eerste visie, het utilitarisme, stelt dat de rechtvaardigheid van een maatregel of handeling afhangt van de uitkomst. Rechtvaardig is waar de samenleving als geheel beter van wordt. Het liberalisme daarentegen verbindt rechtvaardigheid aan vrijheid. Rechtvaardig is wat iemands vrijheid niet beknot. Iemand gebruiken of te dwingen in dienst van een collectief goed is onrechtvaardig.

Op het eerste gezicht valt voor beide zienswijzen iets te zeggen. Sandel toont echter haarscherp aan hoe beide opvattingen kunnen leiden tot moreel verwerpelijke toestanden. Mensen gebruiken als instrumenten voor het collectieve geluk is in strijd met de menselijke waardigheid. Ook in de uiterste consequenties van het neoliberalisme en het vrije marktdenken wordt deze met voeten getreden.

Dat de menselijke waardigheid een doorslaggevende morele maatstaf is geworden hebben we te danken aan Immanuel Kant. Hij ontwikkelde een van de meest overtuigende en invloedrijke theorieën over moraal ooit. Het morele gehalte van een handeling wordt niet bepaald door de consequenties en ook niet door de mate van vrijheid, maar door de intentie van waaruit de handeling is verricht. Een handeling is moreel juist wanneer ze ingegeven wordt door respect voor de persoon.

De morele plichtenleer van Kant vormt de inspiratie voor het moderne denken over universele mensenrechten. De politieke implicaties van zijn visie zijn door John Rawls in een indrukwekkende theorie van rechtvaardigheid gegoten. Als we willen weten wat rechtvaardig is, dan moeten we ons verplaatsen in een beginsituatie waar toevallige factoren als afkomst en talenten geen rol spelen. De theorie van Rawls is een overtuigend pleidooi voor een meer gelijke samenleving.

De filosofische theorieën van Kant en Rawls gaan uit van een neutrale basis voor rechtvaardigheid en rechten. Maar is het ideaal van het onbelaste en vrij kiezende individu wel realistisch? Er zijn immers tal van situaties waarin men moeilijk kan volhouden dat mensen alleen verantwoordelijk zijn voor wat ze zelf gekozen hebben. Hoe moet het bijvoorbeeld met loyaliteit en solidariteit met de gemeenschap?

Discussies over rechtvaardigheid gaan onvermijdelijk ook over wat mensen waardevol vinden in het leven. Dan komen we vanzelf terecht bij de derde visie op rechtvaardigheid, deze van Aristoteles. Rechtvaardig is wanneer aan mensen gegeven wordt wat ze verdienen. Iedereen behoort te krijgen wat hem/haar toekomt op basis van deugdzaamheid en verdienste.

Rechtvaardigheid op basis van een opvatting van een goede en juiste manier van leven is echter een heikel ideaal. Cultureel en religieus conservatisme gebruiken deze immers als rechtvaardiging voor repressie en onderdrukking van andersdenkenden. Want wat verdienen mensen en hoe bepaal je dat? Is het wel mogelijk om het in het openbaar oneens te zijn over het goede zonder tot godsdienstoorlogen te vervallen?

Michael Sandel meent van wel. Hij pleit voor een politiek van morele betrokkenheid, die gericht is op het algemeen belang en waarbinnen toch voldoende ruimte gelaten wordt aan de menselijke vrijheid. Als burgers met elkaar in discussie gaan over hun meningsverschillen in de plaats van ze uit de weg te gaan zullen ze elkaars opvattingen beter leren kennen. Dat kan een stevige grondslag zijn voor wederzijds respect.

Het is verleidelijk om op zoek te gaan naar een principe of procedure waarmee eens en voor altijd een rechtvaardige verdeling van inkomen, macht en kansen kan worden afgeleid. Michael Sandel toont op overtuigende wijze aan dat dit niet mogelijk is. Er bestaat geen recept voor een rechtvaardige samenleving. Er is nooit een garantie op eensgezindheid over wat belangrijk is.

Met Rechtvaardigheid hebt u een bijzonder boeiend boek in handen. U maakt kennis met verschillende morele dilemma’s en leert hoe filosofische argumentatie zich ontwikkelt. U krijgt een zeer verhelderende uiteenzetting van de meest invloedrijke ideeën over rechtvaardigheid. U krijgt geen sluitend antwoord op de vraag wat juist is. Maar u wordt uitgenodigd om uw eigen morele en politieke overtuigingen over rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

Het is bovendien een zeer toegankelijk werk. Ieder hoofdstuk begint met een samenvatting van voorheen besproken benaderingen en de tekortkomingen ervan. Met behulp van treffende voorbeelden worden abstracte stellingen en theorieën goed verteerbaar gemaakt. En omdat de auteur een begenadigd schrijver is laat de tekst zich vlot lezen.

© Minervaria

Written by minervaria

12 februari 2014 at 16:26

Geplaatst in Ethiek, Filosofie, Politiek

Tagged with

Het morele landschap

leave a comment »

433563 U0C Harris_Het moreleHARRIS, S., Het morele landschap. Hoe de wetenschap ons de weg kan wijzen. (Vert. The moral landscape. How science can determine human values.) A’dam/A’pen, De Arbeiderspers, 2010, 301 pp. – IBN 978 90 295 7841 7

Mogen homoseksuele mensen seks hebben met elkaar en huwen? Zijn, en zo ja wanneer, abortus en euthanasie geoorloofd? Is seks buiten het huwelijk toegestaan? Mag je een kind lijfstraffen geven? Sedert mensenheugenis wordt er geredetwist over morele kwesties. Ze gaan niet alleen over grote levensvragen, maar ook over details, zoals welke kledij mannen en vrouwen moeten dragen of welk voedsel er al dan niet genuttigd mag worden.

Talloze moraalfilosofen hebben zich de tanden stuk gebeten over hoe mensen dienen te handelen. Volgens de meesten bestaat er geen universele morele waarheid. Er zijn verschillende maatstaven mogelijk om te beoordelen of een handeling goed of slecht is. Ook het overgrote deel van de wetenschappers gelooft dat er geen feitelijke grondslag is om te bepalen wat goed en kwaad is. Daar is Sam Harris het absoluut niet mee eens.

De enige werkelijk begrijpelijke grondslag voor normen en waarden is de zorg voor het welzijn van wezens met bewustzijn, stelt hij. Een opvatting over een goed leven die ingaat tegen het menselijk welzijn, is een vergissing. Menselijk welzijn hangt bovendien volledig af van gebeurtenissen in de wereld en de gesteldheid van het menselijk brein. Dat betekent dat er wel degelijk feitelijke gegevens te achterhalen zijn over wat er moreel goed of verkeerd is. Het is dan ook in principe mogelijk om wetenschappelijke uitspraken te doen over welke handelingen of maatregelen het welzijn dienen.

De neurowetenschappen van moraal en sociale gevoelens staan nog in de kinderschoenen. Maar naarmate de werking van de hersenen beter wordt begrepen zullen de fysische oorzaken van geluk en leed helderder worden. Zo zal duidelijk worden dat er objectief goede en foute antwoorden zijn op vragen over menselijke waarden. En dan zal ook blijken dat sommige individuen of culturen op dit punt absoluut ongelijk hebben.

Hiermee zet Harris zich af tegen de godsdiensten, die menen dat moraal ‘van boven’ komt. Voor wie zich werkelijk zorgen maakt over menselijk welzijn vormen godsdienstige aanspraken en het geloof in een onsterfelijke ziel een nodeloze complicatie van een ethisch vraagstuk. Maar ook zij die menen dat morele waarden cultureel bepaald zijn, hebben ongelijk. Cultureel relativisme tolereert situaties die duidelijk niet bijdragen tot meer menselijk welzijn en soms zelfs pure ellende veroorzaken.

De radicale keuze voor een gevolgenethiek is niet zonder risico. In Het morele landschap verkent Harris de problemen die opduiken wanneer we als moreel doel kiezen voor het maximaliseren van menselijk welzijn. Hij onderneemt verschillende pogingen om goed en kwaad op een objectieve manier te beschrijven en weerlegt uiteenlopende argumenten die zijn stelling zouden kunnen falsifiëren.

Hij ontkracht onder andere een aantal courante misverstanden over de aard van wetenschap. Wetenschap heeft een veel ruimer bereik dan de meesten denken. In de geschiedenis is meermalen gebleken dat wetenschappelijke bevindingen op een dag in de cultuur gaan doorwerken op een manier die niemand verwachtte. Zo zal op termijn ook duidelijk worden dat er geen kloof is tussen wetenschap en moraal en zal moraal een wetenschappelijke basis krijgen.

Dit zal leiden tot een aanzienlijke morele vooruitgang. Een rationeel inzicht in menselijk welzijn zal ons in staat stellen vreedzaam samen te leven met miljarden soortgenoten. Dan is er een gerede kans dat de wereld zich in de toekomst minder druk zal maken over juist of onjuist en zich eenvoudig zal bekommeren om welzijn, zowel van onszelf als van anderen.

Sam Harris is uiteraard niet de eerste die meer welzijn poneert als universele morele maatstaf voor het individueel en collectief handelen. Er valt ook een en ander voor te zeggen. Zijn belangrijkste stelling is dat de (neuro)wetenschap daarover waardevolle inzichten kan verschaffen en dat wetenschap dus wel degelijk een wezenlijke bijdrage kan leveren aan de rechtvaardiging van morele uitspraken. In dit boek probeert hij hiervoor steekhoudende argumenten te leveren.

In dit opzet is hij naar mijn mening echter slechts gedeeltelijk geslaagd. Voor wie al overtuigd is voorziet hij heel zeker in argumenten die deze overtuiging staven. Ik betwijfel echter of anderen zich door zijn betoog zullen laten overtuigen. Hoe terecht zijn stelling ook mag zijn, Harris geeft geen coherent antwoord op de vraag waarom het welzijn van wezens met bewustzijn de universele morele standaard zou moeten zijn.

Maar de belangrijkste tekortkoming is dat hij, zelf neurowetenschapper, jammerlijk faalt in de rationele onderbouwing van zijn opzet: dat er een wetenschappelijke basis is voor een universele moraal van het welzijn. In de plaats daarvan verschiet hij zijn kruit aan een pamflettaire strijd tegen de godsdienst, die alleen zal aanslaan bij diegenen die toch haar toch al niet genegen zijn. Zijn kritiek op het cultureel relativisme is dan weer steviger uitgewerkt.

Ondanks voorgaande bedenkingen vond ik de lectuur van Het morele landschap geen verloren tijd. Het betoog is weliswaar warrig en bijwijlen lastig te volgen. Maar het stelt relevante vragen over morele waarheden en doet op zijn minst nadenken over de mogelijke bijdrage van de wetenschap aan de antwoorden. En laat dit nu net de bedoeling zijn van de auteur.

© Minervaria

Written by minervaria

10 januari 2014 at 22:13

Geplaatst in Ethiek, Wetenschap

Lof der twijfel

leave a comment »

BERGER, P. & A.C. ZIJDERVELD, Lof der twijfel. Hoe we overtuigingen kunnen koesteren zonder daarbij fanatiek te worden.  (Vert. In Praise of Doubt) A’dam, Cossee, 2010 (2e dr.), 204 pp. – ISBN 978 90 5936 266 6

Twijfel is het begin van de wijsheid. – René Descartes

Is dat werkelijk zo? Werkt twijfel niet juist verlammend? Belet ze ons niet om daadkrachtig op te treden en keuzes te maken? En kunnen we praktijken die indruisen tegen onze morele opvattingen en intuïties dan zomaar toelaten?

In een halve eeuw tijd is de relatief eenvoudige en eenduidige Europese maatschappij veranderd in een samenleving met een grote verscheidenheid aan culturele, etnische en religieuze achtergronden. In deze pluralistische samenleving zijn voor de moderne mens bovendien de vroegere religieuze en levensbeschouwelijke zekerheden weggevallen. Hoe men moet leven wordt niet meer van hogerhand aangegeven. Mensen moeten hun leven zelf inrichten en worden bestookt met een kleurrijk palet van overtuigingen en levensbeschouwingen, waaruit gekozen moet worden.

Deze ontwikkelingen zorgen voor een aantal lastige kwesties. Beknotten hoofddoeken de vrijheid van de vrouw? Kunnen we het goedvinden dat jonge meisjes tijdens de vakantie in het land van oorsprong uitgehuwelijkt worden aan een verre neef? Is het aanvaardbaar dat jonge kinderen besneden worden omdat hun godsdienst dat vereist? Mogen mensen zelf beslissen wanneer en hoe ze willen sterven? Zijn alle seksuele voorkeuren evenwaardig?

Als zekerheden wegsmelten kunnen mensen op twee tegengestelde manieren reageren. Ze kunnen kiezen voor een radicale terugkeer naar premoderne zekerheden. Dat doet bijvoorbeeld het religieus fundamentalisme. Ze kunnen alles ook relativeren en het bestaan van waarheden ontkennen. Zo omarmen ze het postmodernisme, waarin alles kan en moet kunnen.

Beide posities zijn fanatiek en bovendien een gevaar voor de maatschappij. Hoe kan deze tegenstelling overbrugd worden? Hoe kunnen we in de hypermarkt van levensbeschouwelijke opvattingen onze overtuigingen blijven koesteren zonder daarbij fanatiek te worden? Het antwoord ligt in serieuze en consequente twijfel, zeggen de sociologen Peter Berger en Anton Zijderveld. Waarheid is immers helemaal niet zo absoluut als de ‘ware gelovige’ het graag wil. Waarheid wordt voortdurend overschaduwd door twijfel en onzekerheid.

Serieuze twijfel behoedt voor haastige en voorbarige oordelen en vooroordelen. Wie twijfelt weegt af en stelt een oordeel uit. In de meeste situaties hoeft er immers niet zo nodig be- of veroordeeld te worden. Alleen wanneer de menselijke waardigheid op het spel staat mag er niet getwijfeld worden. Dan past geen cynisme of extreme relativering, maar moet een moreel oordeel met zekerheid uitgesproken worden.

Ook in de politiek zijn er grenzen aan de twijfel. Over de vrijheid en de rechten van het individu kan niet gemarchandeerd worden, die vormen de kernzekerheid binnen de liberale democratische rechtstaat. Maar geen enkele politieke ideologie heeft het alleenrecht op de wijze waarop die het best gegarandeerd kunnen worden. Een liberale democratie gedijt alleen op een politiek van matiging die gebaseerd is op twijfel. Dit betekent dat radicaliserende stromingen binnen de politieke ideologieën, die een absoluut ware ideologische overtuiging aanhangen, geen kans mogen krijgen.

Zowel in de morele als in de politieke sfeer moet er stelling genomen worden. In dit essay houden Berger en Zijderveld een warm pleidooi voor afgewogen oordelen binnen duidelijk afgebakende grenzen. Hun betoog is niet steeds gemakkelijk te volgen en het is niet altijd duidelijk waar de auteurs naartoe willen. In een tijd waarin een belangrijk deel van de bevolking radicaliseert is het thema echter zeker actueel. Alleen al de rijkdom aan begrippen en interessante theorieën (bijvoorbeeld over de democratische driehoek) maken de lectuur van dit boekje ruimschoots de moeite waard.

© Minervaria

Written by minervaria

21 augustus 2012 at 19:48

Geplaatst in Ethiek, Filosofie, Maatschappij, Politiek

Tagged with

Hij had beter dood kunnen zijn

leave a comment »

van LOENEN, G., Hij had beter dood kunnen zijn. Oordelen over andermans leven. A’dam, Van Gennep, 2009, 222 pp. – ISBN 978 90 5515 393 0

Bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden mogen mensen in Nederland en België kiezen voor de dood. Als belangrijkste reden wordt de zelfbeschikking aangevoerd: wie lijdt, mag zelf beslissen te sterven. De praktijk valt echter tegen. Het publiek denkt dat mensen recht hebben op euthanasie of hulp bij zelfdoding. Maar als ze dat recht vervolgens opeisen bij hun arts, blijken ze het niet te kunnen afdwingen. Want de zelfbeschikking van de patiënt is theorie. In de praktijk geeft het oordeel van de arts over het uitzichtloos en ondraaglijk lijden de doorslag.

Maar als bij opzettelijke levensbeëindiging het argument lijden belangrijker is dan zelfbeschikking, kun je dan toelaten dat mensen blijven lijden, enkel en alleen omdat ze niet om euthanasie kunnen vragen? De redenering luidt dan ‘Jan ligt al zoveel jaren in coma, zelf zou je dat toch nooit willen? Ik vind dat we hem waardig moeten laten sterven.’ Geleidelijk is zo de weg vrijgemaakt voor het ongevraagd verlossen van mensen uit hun lijden, voor levensbeëindiging zonder verzoek.

Journalist Gerd van Loenen maakt een kritische analyse van de beweegredenen van artsen om niet te reanimeren, om medische behandelingen te staken bij mensen in vegetatieve toestand en bij zieke of zwaar gehandicapte pasgeborenen, of om dodelijke middelen toe te dienen aan uitbehandelde patiënten die daar niet om hebben verzocht. In de meeste gevallen is er geen sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, maar luidt de rechtvaardiging dat het zinloos is om het leven van deze patiënt nog langer te rekken.

Wat bedoelt een arts als hij zegt dat behandeling ‘medisch zinloos’ is? En wie beslist dat en op grond waarvan? Oordeelt men in werkelijkheid niet te snel dat sommige mensen beter dood kunnen zijn, zelfs al lijden ze niet ondraaglijk en uitzichtloos maar zijn ze gehandicapt of zien ze een leven met beperkingen tegemoet? Het is zeker zo dat het leven van en met een gehandicapte mens zwaar is. Maar het is iets heel anders om te zeggen dat die mens daarom beter niet meer zou leven.

Als anderen in de plaats van de betrokken persoon gaan bepalen wat uitzichtloos en ondraaglijk lijden is, zitten we snel op een hellend vlak, zegt van Loenen. Artsen, maar ook mantelzorgers en ethici, oordelen over het leven van een ernstig zieke of gehandicapte persoon vanuit hun eigen levensbeschouwing. Ook de media gaan niet vrijuit. In de meeste documentaires en films over het thema wordt steevast een mensvisie naar voor geschoven die het leven met handicaps of beperkingen als minder gelukkig of waardevol acht.

Gehandicapt leven leidt voor deze beslissers en opiniemakers kennelijk enkel tot leed en niet tot geluk, en bestaat alleen uit kosten en niet ook uit baten. Niemand komt op het idee om gehandicapten, die dankzij reanimatie of medisch ingrijpen nog leven, te vragen hoe ze hun leven met beperkingen waarderen of om te observeren of ze een gelukkige indruk maken. Beperkingen leiden niet vanzelf tot uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en als iemand dat goed kan beoordelen dan is het wel degene die zelf gehandicapt is.

We kunnen ons beter gewoon aan de euthanasiewet houden: levensbeëindiging op verzoek mag, levensbeëindiging zonder verzoek mag niet. Mensen kunnen zeker vanwege hun lijden afstand doen van het recht op leven, en liever sterven. Maar dat kunnen ze alleen vrijwillig doen. Als het om andermans leven gaat moeten we ons terughoudend opstellen en erin berusten dat iemand voortleeft in een situatie waarin we zelf misschien om euthanasie zouden vragen. We moeten accepteren dat iemand leeft zolang hij leeft, ook als we niet weten wat voor zin dat heeft.

Dit boek stelt een aspect van opzettelijke levensbeëindiging aan de orde, dat de inzet is van een vurig debat tussen voorstanders en tegenstanders van euthanasie en waarover in de media zelden gesproken wordt. Doorgaans worden de argumenten tegen euthanasie en de uitbreiding van de wet door religieuze groeperingen geclaimd. Daardoor vallen ze bij vrijzinnigen vaak in dovemansoren. Van Loenen toont aan dat deze waarschuwingen gegrond zijn, niet om religieuze redenen, maar omdat artsen zich voorbehouden te bepalen wat ondraaglijk en uitzichtloos lijden is.

Deze vaststelling roept bij mij twee bedenkingen op, die buiten het bestek van dit boek vallen. Ten eerste oordelen artsen, behalve over de ernst van het lijden, ook vaak voor een patiënt dat hij niet in staat is zelf te beslissen. De meeste psychiaters weigeren euthanasie of hulp bij zelfdoding omdat ze vinden dat de wens van hun patiënt om te sterven kan voortkomen uit zijn psychische ziekte. Daarmee is hulp bij zelfdoding voor psychisch zieken in de praktijk vrijwel onmogelijk. Geen zelfbeschikking dus voor wie psychisch ziek is. Het dramatische gevolg is dat psychisch zieke mensen met een stervenswens soms enkel een gruwelijke zelfdoding rest in mensonterende omstandigheden.

Niemand mag noch kan in de plaats van een ander oordelen dat zijn lijden zo ondraaglijk en uitzichtloos is dat het leven onleefbaar wordt, en daarom het leven van deze persoon opzettelijk bekorten of beëindigen. Deze duidelijke stellingname is meteen de aanleiding voor mijn tweede bedenking. Als zelfbeschikking, en niet medelijden, de ultieme grond is voor opzettelijke levensbeëindiging, dan kunnen artsen of mantelzorgers ook niet voor een ander oordelen dat zijn lijden niet uitzichtloos of ondraaglijk genoeg is. Zij kunnen hem of haar op deze grond dan ook euthanasie of hulp bij zelfdoding niet ontzeggen.

Dit waardevolle boek zet je aan het denken over het grijze gebied in de gezondheidszorg waar moeilijke beslissingen moeten genomen worden over leven en dood. Het is geheel toegesneden op de Nederlandse situatie, maar het thema – de verdediging van de onmondige mens tegen de medische almacht – is grensoverschrijdend. De tekst is toegankelijk geschreven en laat zich vlot lezen.

@ Minervaria

Aansluitend: De ongemakkelijke waarheden over euthanasie

Written by minervaria

27 april 2012 at 21:26

Het gelijk van de dieren, het geluk van de mensen

with 2 comments

THIEME, M., Het gelijk van de dieren, het geluk van de mensen. A’dam, Cossee, 2009, 94 pp. – ISBN 978 90 5936 236 9

Opgeblazen kalkoenen die niet langer kunnen lopen, kippen die zo snel groeien dat hun botten breken, kalveren die hun eerste en tevens laatste levensweken nagenoeg onbeweeglijk in een nauwe kooi slijten, varkens die onverdoofd gecastreerd worden. We weten het onderhand allemaal, we zijn verontwaardigd en toch blijven we vlees eten.
Waarom denken wij ons alles met en jegens dieren te kunnen veroorloven? Wat levert ons dat op?

Nooit in de geschiedenis zijn dieren op zo grote schaal misbruikt als vandaag het geval is, zegt Marianne Thieme, voorzitster van de Nederlandse Partij voor de Dieren. Alleen al in Nederland sterven per jaar honderden miljoenen dieren in de bio-industrie na een kort en ellendig leven. De rechtvaardiging van dat groteske misbruik steunt niet op redelijke argumenten maar uitsluitend op emoties. Die gaan ten koste van mededogen, duurzaamheid en langetermijndenken. Vooral hebzucht is de oorzaak van de verschillende crises waarmee de wereld de afgelopen decennia werd geconfronteerd.

In dit heldere essay maakt Thieme duidelijk dat de intensieve veehouderij daar een zeer belangrijk aandeel in heeft. De bio-industrie is uitgegroeid tot een kweekvijver van problemen op het gebied van milieu, dierenwelzijn, volksgezondheid en biodiversiteit.
De maatschappelijke kosten zijn enorm. Ze worden voor een deel verhaald op de proefdieren. Die moeten bijdragen tot de genezing van ziekten die het gevolg zijn van onze ongezonde leefstijl. Bovendien betalen wij er allemaal voor, want ze worden gesubsidieerd uit gemeenschapsgeld.

Een verlaging van de uitstoot van broeikasgassen door de intensieve veehouderij en een vermindering van de vleesconsumptie in de wereld vormen de grote uitdagingen voor het klimaatbeleid, stelt Thieme. Een betere wereld voor dieren zal ook een betere wereld voor mensen opleveren.
Daarmee maken we niet alleen een pragmatische keuze voor welbegrepen eigenbelang maar kiezen we ook voor een ethiek van mededogen met andere levende wezens. Daarvoor is een mentaliteitsverandering nodig in de richting van duurzaamheid en mededogen.

Zelfs als de samenleving nog niet zover is, kunnen we deze keuze reeds als individu maken en minder vlees eten. Thieme neemt dan ook de ‘Besparingstabel minder vlees’ op zoals berekend door het Instituut voor Milieuvraagstukken van de Vrije Universiteit Amsterdam (onderaan opgenomen).

Wie van een voorvechter van milieu en dieren een hoogdravend en zweverig sentimenteel verhaal verwacht komt bedrogen uit. Ik was aangenaam getroffen door de heldere en nuchtere stijl van dit essay, dat zeer degelijk en rationeel onderbouwd is.

Dit dunne boekje is een absolute stellingname tegen het lijden van dieren voor menselijk gewin of plezier. Het is zeer toegankelijk geschreven en laat zich derhalve zeer vlot lezen.
Warm aanbevolen!

© Minervaria

Lees ook: NUSSBAUM, M., Een waardig bestaan. Over dierenrechten.

Weetje: Koeien hebben gemiddeld 7,7 kg voedsel nodig om 1 kg eiwit (vlees) te maken. Varkens hebben 6,3 kg, kippen 3,6 kg en krekels gemiddeld 1,7 kg voedsel nodig om 1 kg eiwit te maken.

Deze koe kost u zes maanden van uw leven

Written by minervaria

28 februari 2011 at 22:14

Morele helderheid

leave a comment »

NEIMAN, S., Morele helderheid. Goed en kwaad in de 21e eeuw. (Vert. Moral Clarity. A Guide for Grown-Up Idealists) A’dam, Uitg. Ambo/Anthos, 2008, 472 pp. – ISBN 978 90 263 2155 9

“In de Westerse seculiere cultuur hebben morele uitspraken geen duidelijke plaats”, stelt de in Berlijn wonende Amerikaanse filosofe Susan Neiman vast, “en het doen van zulke uitspraken geeft velen een ongemakkelijk gevoel.”

Toch is onderscheid maken tussen goed en kwaad een vermogen dat hoort tot het wezen van de mens. Ook al is de wereld zelf helemaal niet moreel, mensen hebben de aangeboren behoefte om de wereld in morele termen te zien. Wij hebben een diep geworteld rechtvaardigheidsgevoel. Talloze mensen op deze planeet leiden een leven dat wordt vergald door ziekte, armoede, verdrukking, gewelddadige conflicten, een ongelukkig huwelijk of een combinatie van dit alles. Het leven is oneerlijk en onrechtvaardig. Wanneer onschuldige mensen lijden en het slechte mensen voor de wind gaat komen we spontaan op zijn minst innerlijk in opstand.
Kunnen wij met die onrechtvaardigheid ongestoord verder leven? Of is er een meer menswaardige reactie mogelijk?

We hebben de keuze, zegt Susan Neiman. Eerste mogelijkheid: we leggen ons bij de feiten neer en zoeken de verklaring in de aard van de dingen zelf. Je kan onheil en ellende wegredeneren door te stellen dat dit nu eenmaal de realiteit is of de wil van God of de natuurlijke orde of de schuld van slechte machthebbers. Het is de gemakkelijke, eenvoudige weg en het cynische antwoord van politiek en conservatief rechts. Zoals ik recent op een forum las: “Kortzichtig misschien, maar zo werkt de wereld van tegenwoordig nu eenmaal.”

Toch bevat deze uitspraak een glimp van morele helderheid. Want de term ‘kortzichtigheid’ doet vermoeden dat er een andere weg is. Je kunt je blijkbaar al dan niet vaag voorstellen dat het ook anders kan. Je bent niet gedwongen je neer te leggen bij onrechtvaardigheid want je zou die kunnen bestrijden. Is dat iets anders dan wat politiek rechts pretendeert? Ja, want je niet neerleggen bij onrecht en onrechtvaardigheid wordt door conservatief rechts op hoongelach onthaald en smalend  kinderlijk of puberaal dromen over een onbereikbare fantasiewereld genoemd. “Word volwassen”, roept conservatief rechts, “en zie de realiteit onder ogen.” Waarmee ze bedoelen: leg je bij de feiten neer.

Volgens Susan Neiman is het net andersom. Uitgerekend je neerleggen bij moreel onrecht getuigt van onnadenkendheid en gebrek aan redelijkheid. Een ideaal koesteren van een betere wereld en je daarvoor metterdaad inzetten is geen teken van onvolwassenheid maar juist van rijpheid en van het vermogen tot oordelen. Verandering is de kernboodschap van links. Helaas heeft het debacle van de grote vooruitgangsideologieën van de 20e eeuw links de grond onder de voeten weggeslagen. Links kijkt bedremmeld toe en speelt stommetje in het waardendebat dat rechts helemaal voor zich heeft opgeëist.

Met haar betoog wil Neiman de idealen van de verachte ‘wereldverbeteraars’ nieuw leven inblazen en funderen. Idealen zijn allerminst ondoordachte bevlogenheden zonder voeling met de werkelijkheid, zo betoogt ze, maar een uitdaging om onze menselijke creativiteit in te zetten voor iets beters dan de wereld die we kennen.

Maar welke idealen zijn de moeite van het nastreven waard en hoe weten we dat we hierop kunnen bouwen? De antwoorden zijn volgens Susan Neiman te vinden in de ideeën van de Verlichtingsfilosofen uit de achttiende eeuw. De Verlichting staat model voor de door conservatieve kringen zo verguisde moderniteit. Zo vereenzelvigt men de Verlichtingsfilosofie ten onrechte met individualistisch egoïsme, en beschuldigt haar ervan dat ze gevoelens en emoties vervangt door kille rationele kennis en verheven betrachtingen door plat materialisme.

Susan Neiman, die zich heeft verdiept in de Verlichting en het denken van Immanuel Kant, de Verlichtingsfilosoof bij uitstek, bestrijdt deze typering met klem. De Verlichting heeft ons bevrijd van bijgeloof en een onrechtvaardig aristocratisch systeem dat door de religies nagenoeg overal werd gesteund. En in haar kielzog heeft de moderniteit op uiteenlopende gebieden vooruitgang gebracht.

De Verlichting zegt ons immers dat we ons niet moeten neerleggen bij de wereld zoals ze is, maar dat we alles op alles moeten zetten om de universeel menselijke aspiraties op geluk en verbetering van de eigen toestand te vervullen. Het hoort tot de aard van de mens om te streven naar geluk, redelijkheid, eerbied en vooral hoop. En omdat dit universeel menselijke streefdoelen zijn mag niemand daarvan wetens willens uitgesloten worden. Het besef dat wat ik voor mezelf wens ook de wens is van de andere, moet ons ertoe brengen om die andere niet anders te behandelen dan wij zelf zouden behandeld willen worden.

Dit zijn de fundamentele waarden van links, zegt Neiman, en die moeten we weer helder krijgen en uitdragen. Hoe dit moet en kan gebeuren beschrijft ze in het laatste deel. De linkerzijde moet weer helden hebben, en daarvoor durven uitkomen. Verlichtingshelden zijn geen supermensen of halfgoden die de waarheid in pacht hebben, maar gewone mensen die twijfelen en fouten maken. Daarnaast denken zij redelijk na en spannen zij zich in door persoonlijke keuzes en inspanningen zichzelf en moeilijkheden te overwinnen. Susan Neiman beschrijft in haar boek een aantal voorbeelden van moderne Verlichtingshelden. Wat hen kenmerkt is de wetenschap dat vooruitgang in kleine stapjes verloopt, en dat het niet zozeer belangrijk is wat of wie je bent of hoe je het bedoelt maar wat je doet. Die helden kunnen mensen tonen dat je dichter bij het ideaal kunt komen als je je niet neerlegt bij de feiten maar zelf handelt en dat niet overlaat aan anderen of machtiger instanties.

Niet voor niets stond Susan Neiman op het podium aan de zijde van Barack Obama bij zijn inauguratie als president van de Verenigde Staten. We hebben politici nodig die weer durven uitkomen voor de echte waarden van links, die zich niet neerleggen bij een onrechtvaardige realiteit en de schuld niet in de schoenen van anderen schuiven. Ze roepen iedereen op om verantwoordelijkheid te nemen voor een wereld waarin het voor iedereen goed leven is en zij nemen daarbij het voortouw door zelf aan de slag te gaan.

Die boodschap had de zeer erudiete Susan Neiman naar mijn mening veel helderder en compacter kunnen formuleren. Ze heeft enorm veel zorg besteed aan een stevige en ruime onderbouwing van haar pleidooi voor heldere waarden. Diezelfde bekommernis maakt het voor de lezer echter lastig om de lijn van haar betoog te volgen. Door de veelheid van invalshoeken en argumenten wordt de kern ervan vaak ondergesneeuwd. Ook al is dit boek niet voor het grote publiek bestemd, ook voor een beperkt publiek had het doorzichtiger en leesbaarder mogen zijn.

Niettemin heb ik dit veelzijdige en buitengewoon rijke boek met bewondering en frisse moed doorworsteld. Susan Neiman heeft mijn kennis over de Verlichting en haar belangrijke filosofen opgefrist, verruimd en verdiept. Maar bovenal heeft het mij herinnerd aan het enorme belang van hoop en persoonlijk engagement, hoe gering ook, voor een betere wereld voor iedereen.

© Minervaria

Interview met Susan Neiman

Op dinsdag 19 januari 2010 krijgt Susan Neiman het woord in Grote denkers over de toekomst

Written by minervaria

8 januari 2010 at 22:21

Geplaatst in Ethiek, Filosofie, Politiek

Tagged with