Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Antropologie’ Category

De bonobo en de tien geboden

with one comment

deWaalF13de WAAL, F., De bonobo en de tien geboden. Moraal is ouder dan de mens. (Vert. The Bonobo and the Atheist. In Search of Humanism among the Primates, 2013) Uitg. Atlas Contact, 2013, 286 pp. – ISBN 978 90 254 3836 0

Waar komt moraal vandaan? Religies beweren dat er geen moraal is zonder God. Het atheïsme houdt staande dat moraal gedicteerd wordt door de rede. Zou er inderdaad geen moraal zijn zonder religie? Of worden morele afwegingen echt door de rede gemaakt? Geen van beide visies heeft het goed, aldus primatoloog Frans de Waal. Moraal komt niet van boven als een reeks onwrikbare principes of wetten, maar hoort bij de menselijke natuur.

De wortels van de menselijke moraal liggen in onze evolutionaire voorgeschiedenis als sociale dieren. Dieren die in een groep leven hebben immers belang bij een harmonieuze gemeenschap. Hun overleving hangt af van goede onderlinge betrekkingen en van een gemeenschap die op samenwerking gericht is. Steun verlenen en geen schade berokkenen is cruciaal binnen een sociale gemeenschap. Het zijn sociale emoties die aanzetten tot moreel handelen.

Deze sociale emoties delen mensen met andere sociale zoogdieren. Dan denken we in de eerste plaats aan mensapen. Maar er zijn talloze voorbeelden die duidelijk maken dat ook andere sociale zoogdieren zoals honden, dolfijnen en olifanten elkaars welzijn ter harte nemen. Deze hoog-intelligente diersoorten hebben belang bij een goede onderlinge verstandhouding.

Van alle sociale diersoorten gelijken bonobo’s waarschijnlijk het meest op de gemeenschappelijke voorouder van mens en mensaap. Ze geven blijk van empathie en dankbaarheid, ze zijn in staat om het perspectief van anderen in te nemen, ze zijn gesteld op verzoening en ze hechten belang aan rechtvaardigheid, wederkerigheid en gelijkheid. Deze oeroude eigenschappen hebben de weg geplaveid voor zelfbeheersing en impulsbeheersing als basis voor een sociale code die moet zorgen voor de nodige harmonie.

Mensen waren dus al volop moreel toen ze nog in groepjes over de savanne rondzwierven. Er is geen God nodig om de menselijke moraal te verklaren. De moraal ontstond eerst en de religie sprong er bovenop. Religie moet echter niet bevochten worden zoals militante atheïsten doen. Religie heeft immers een functie. In een ingewikkelde wereld moet er immers ook nagedacht worden over morele regels. De menselijke moraal onderscheidt zich van deze van dieren doordat ze een uitgebreid stelsel van rechtvaardiging, toezicht en straf hanteert binnen een universele standaard.

De Waal staat wel sceptisch tegenover pogingen om moreel gedrag te vangen in eenvoudige onwrikbare regels, al dan niet religieus. Sommige morele theorieën zijn niet te rijmen met de huidige kennis van de biologie. Heel leerrijk vond ik zijn weerlegging van het utilitarisme op grond van biologische feiten, alsook de bespreking van verschillende theorieën die in de loop van de voorbije eeuw werden ontwikkeld over altruïsme.

Over sociale emoties bij dieren heeft Frans de Waal al vaker gepubliceerd. In dit werk bundelt hij deze inzichten tot een coherente visie op de oorsprong van de menselijke moraal. Die komt niet van hoger, noch van god, noch van de rede, maar van binnenuit. Ze zit ingebakken in onze biologische bagage.

Behoudens een paar stroeve filosofische passages is De bonobo en de tien geboden een prettig leesbaar boek, inzichtelijk en onderhoudend geschreven.

© Minervaria

Advertenties

Written by minervaria

24 februari 2016 at 20:24

Geplaatst in Antropologie, Moraal

De wereld tot gisteren

leave a comment »

DIAMOND, J., De wereld tot gisteren. Wat we kunnen leren van traditionele samenlevingen. (Vert. The World until Yesterday, 2013) Houten/A’pen, Uitg. Unieboek/Het Spectrum bv, 2013, 560 pp. – ISBN 978 90 00 31577 2

Gedurende meer dan 20 jaar heeft Jared Diamond  met tussenpozen in geïsoleerde gebieden van Nieuw-Guinea geleefd. Hij heeft er de traditionele samenlevingen leren kennen en waarderen en heeft ze in hoog tempo zien veranderen. De Papoea’s hebben de Westerse leefwijze omarmd.

Afgezien van enkele geïsoleerd levende mensengroepen ruilen traditionele volken hun bestaan graag voor de zekerheid en voorspelbaarheid van het moderne leven. En ze nemen er de nadelen op de koop toe bij. Het traditionele leven is immers een onzeker en hard bestaan, en de levensverwachting is niet hoog. Toch is er van de wereld van gisteren nog veel bewaard gebleven.

Ondanks de grote verschillen hebben traditionele samenlevingen in essentie met dezelfde problemen te maken als de grootschalige moderne samenlevingen. Hun uiteenlopende oplossingen komen ons vaak vreemd en soms gruwelijk over, maar ze worden begrijpelijk als we hun leefomstandigheden kennen.

Zo leert u waarom traditionele volken vaak een uitgesproken vijandige houding aannemen tegenover vreemdelingen en hoe zij hun territorium afbakenen en bewaken. Het wordt duidelijk waarom zij voor het oplossen van conflicten slechts twee alternatieven hanteren. Als de betrokken partijen daarna verder moeten met elkaar, probeert men conflicten eerst op vreedzame wijze op te lossen. Als dat niet lukt of niet nodig is, wordt er meteen ongenadig oorlog gevoerd.

Sommige kleinschalige gemeenschappen gaan zorgzaam en respectvol om met kinderen en ouderen en daarvan kunnen wij veel opsteken. Natuurlijk willen wij de soms gruwelijke wijze waarop ze in andere gemeenschappen worden behandeld niet overnemen, maar als overlevingsstrategie in heikele omstandigheden wordt dit wel begrijpelijk. In het algemeen gaan traditionele gemeenschappen trouwens met meer realisme en voorzichtigheid om met gevaren dan de westerse mens.

De functie en betekenis van religie in kleinschalige samenlevingen verschilt beduidend van deze in grootschalige gemeenschappen. Dit geldt eveneens voor hun taalgebruik. In kleinschalige gemeenschappen spreken mensen doorgaans twee of meer talen. Dit roept vragen op over het verdwijnen van de wereldwijde taaldiversiteit en de wenselijkheid van meertaligheid.

Traditionele gemeenschappen hebben vooral te kampen met infectieziekten, parasitaire ziekten, dodelijke darminfecties en ondervoeding, die in de geïndustrialiseerde samenlevingen nagenoeg verdwenen zijn of onder controle. De overvloedige beschikbaarheid van voedsel en de overname van een westers leefpatroon leidt bij echter snel tot epidemieën van niet-overdraagbare ziekten zoals hoge bloeddruk, diabetes, hart- en vaatziekten, kanker. En daar is een evolutionaire verklaring voor, die ook de westerse mens ter harte zou moeten nemen.

Het traditionele leven moet zeker niet geromantiseerd worden, zegt Diamond. Maar kleinschalige gemeenschappen hebben wel een paar kenmerken die van betekenis kunnen zijn voor onze statengemeenschappen. Sommige daarvan zouden wij zeker niet willen overnemen. Ze laten ons toe de vanzelfsprekende verworvenheden van onze eigen samenleving meer te waarderen. Van andere kunnen wij echter iets leren en sommige kunnen wij misschien beter overnemen.

Naar een nieuw boek van de veelzijdige Jared Diamond is het altijd uitkijken. Ook nu weer heeft hij het onderwerp grondig en uitgebreid bestudeerd. Met zijn treffende en levendige beschrijvingen van hun gebruiken en organisatie brengt hij zijn fascinatie voor traditionele gemeenschappen meesterlijk over. En hij trakteert de lezer op een interessante analyse van de fenomenen religie en oorlog bij mensen in het algemeen.

De wereld tot gisteren is bovendien zeer onderhoudend en inzichtelijk geschreven en laat zich vlot lezen.

© Minervaria

Written by minervaria

15 december 2015 at 09:14

Geplaatst in Antropologie

De wetenschap van liefde en bedrog

leave a comment »

DunbarR12DUNBAR, R., De wetenschap van liefde en bedrog. (Vert. The Science of Love and Betrayal, 2012) Houten/A’pen, Uitg. Unieboek/Het Spectrum, 2012, 286 pp. – ISBN 978 90 00 311422

Verliefdheid is een raadselachtig fenomeen. Plots springt een bepaalde man of vrouw uit de massa tevoorschijn en gaat met onze gedachten en gevoelens op de loop. Overal ter wereld is ze de inspiratiebron van talloze beroemde kunstwerken en verheven literatuur. Als draaischijf van de populaire cultuur zorgt zij voor miljardeninkomsten in de film- en muziekindustrie. Waar komen deze gevoelens vandaan?

In de voorbije decennia heeft de wetenschap zich over deze vraag gebogen. De evolutionair antropoloog Robin Dunbar bekijkt het raadsel van verliefdheid door een evolutionaire bril. Als verliefdheid zo universeel is, dan moet ze immers een biologische basis hebben en een functie in het overleven van de mens. Waarom hebben verliefdheid en paarvorming zich bij de mens ontwikkeld?

Dat verliefdheid iemand overvalt hoeft niet te verwonderen, want in het brein spelen zich allerlei neurochemische processen af waar de persoon geen greep op heeft. Bovendien lijkt er in het dierenrijk een verband te zijn tussen de grootte van de hersenen en het leven in monogame paren. Het onderhouden van een liefdesrelaties is immers ingewikkeld en vereist nogal wat intelligentie.

Mensen zijn echter niet helemaal weerloos overgeleverd aan deze neurologische krachten. De zoektocht naar een partner is immers een ingewikkelde zaak. Op de liefdesmarkt moeten de voor- en nadelen van een bepaalde relatie afgewogen worden en daarvoor komt dat grote brein ook van pas. Bij de partnerkeuze gaan mensen dan ook behoorlijk berekenend te werk. Ze gaan af op subtiele signalen die allengs uitgeselecteerd werden om de keuze te vergemakkelijken.

Als sociale wezens gaan mensen echter allerlei soorten relaties aan. Wat maakt liefdesrelaties dan zo bijzonder? Wat is het verschil tussen een liefdesrelatie en vriendschap? En hoe verschillen beide van verwantschapsrelaties? Wat is de achtergrond van jaloezie en ontrouw? Wat is de dynamiek achter religieuze vervoering en de slaafse adoratie van charismatische leiders? En hoe staat het met liefde via internet?

Uit deze vergelijking wordt duidelijk dat relatievormen bij mensen niet vast liggen. Ze worden echter alle aangestuurd door hetzelfde proces dat ook aan de basis ligt van verliefdheid. Maar waarom is dit vreemde proces dan een vitaal onderdeel van onze psyche geworden? En waarom heeft paarvorming zich bij de mens ontwikkeld? Met behulp van de voorafgaande bevindingen onderwerpt Robin Dunbar verschillende hypothesen aan een interessante kritische analyse. En de uitkomst is verrassend en toch weer niet.

De auteur geeft toe dat het een lange en kronkelige weg was naar deze conclusie. Af en toe lijkt zijn betoog inderdaad op een verzameling weetjes over menselijke relaties. Het kan ook moeilijk anders als je alle ontdekkingen die daarover gedaan zijn wilt bundelen tot een samenhangend verhaal. Maar het is wel een boeiend verhaal over het menselijk liefdesleven en hoe het geworden is tot wat wij nu kennen.

Als bewoners van het post-romantische Westen hebben wij het idee dat we verliefd kunnen worden en vervolgens kiezen met wie we willen samenleven. Dunbar laat zien dat bij deze keuze de evolutie een hartig woordje meespreekt, en dat het toeval en allerlei beperkingen een behoorlijk grote rol spelen. Zijn betoog is goed te volgen en voor wie niet vertrouwd is met wetenschappelijke termen is er een uitgebreide verklarende woordenlijst opgenomen.

© Minervaria

Written by minervaria

10 oktober 2015 at 19:17

De zin van geven

leave a comment »

KleinS11KLEIN, S., De zin van geven. De kracht van ons onzelfzuchtige brein. (Vert. Der Sinn des Gebens, 2010) A’dam, Ambo, 2011, 316 pp. – ISBN 978 90 263 2362 1

In de afgelopen tien jaar is het aantal mensen dat vrijwilligerswerk doet fors gestegen. Na een ramp komt er vaak een golf van solidariteit op gang tussen mensen die anders niets met elkaar te maken hebben. En onderzoek toont bovendien aan dat mensen die zich inzetten voor anderen over het algemeen tevredener zijn, succesvoller en zelfs gezonder dan diegenen die slechts aan zichzelf denken.

Op het eerste zicht lijkt dat contradictorisch. Want wie iets weggeeft heeft het zelf niet meer en wie het voor zichzelf houdt is in het voordeel. Als delen iemand gelukkiger maakt, hoe valt dit te rijmen met de grondgedachte van de evolutietheorie dat ieder levend wezen in de eerste plaats gericht is op overleven? Waardoor laten mensen zich leiden als ze anderen helpen en delen? In De zin van geven gaat wetenschapsjournalist Stefan Klein op zoek naar antwoorden.

In de eerste plaats onderzoekt hij hoe het mogelijk was dat altruïsme de strijd om het bestaan kon overleven en zich kon verspreiden in de menselijke populatie. Door klimaatveranderingen en –rampen kroop de mensheid verschillende keren door het oog van een naald. Alleen die gemeenschappen konden overleven waarvan de leden voor elkaar opkwamen. De mensensoort die overbleef was deze die het beste met delen overweg kon.

Op de korte termijn zijn egoïsten beter af, maar op de langere termijn leveren karaktertrekken als welwillendheid, zachtmoedigheid en hulpvaardigheid een voordeel op in de evolutionaire concurrentiestrijd. Solidariteit loont bovendien op meer terreinen. Wanneer we vertrouwen schenken aan anderen, ons in hen inleven of aan hen binden komen stoffen vrij in de hersenen die ons een goed gevoel geven. Wellicht hebben we baat bij delen en geven omdat we ons daardoor prettiger gaan voelen.

Het vermogen om samen te werken en te delen vormt de basis van menselijke gemeenschappen. Solidariteit en samenhorigheid worden onderhouden door algemeen aanvaarde normen, een moraal en morele gevoelens zoals het rechtvaardigheidsgevoel. Mensen geven immers niet willekeurig, ze willen dat profiteurs gestraft worden. En ze vertrouwen ook niet iedereen. De keerzijde van samenhorigheid is de solidaire strijd tegen een andere groep. In het uiterste geval mondt deze uit in oorlog en rassenhaat.

De toekomst van de mensheid zal afhangen van de mate waarin we de positieve aspecten van het altruïsme in praktijk kunnen brengen zonder de negatieve kanten. De andere groep wordt steeds minder ‘anders’ en in het licht van de klimaatverandering vallen de belangen van de verschillende mensengroepen steeds meer samen. Er moet intensief gezocht worden naar manieren om vorm te geven aan een wereldgemeenschap met een economie die de welvaart van allen nastreeft.

In dit boeiende boek ontwart Stefan Klein het kluwen van strijdige opvattingen over de herkomst van altruïsme bij mensen. Hij maakt inzichtelijk hoe de evolutie het mogelijk maakte dat mensen elkaar helpen en met elkaar delen en verheldert hoe samenwerking en solidariteit in menselijke gemeenschappen konden groeien en bloeien. En dat doet hij op toegankelijke en onderhoudende wijze.

© Minervaria

Addendum: The First (and Most Important) Rule of Success

Written by minervaria

17 juni 2014 at 20:52

De rationele optimist

leave a comment »

RidleyM10RIDLEY, M., De rationele optimist. Over de evolutie van welvaart. (Vert. The Rational Optimist, 2010) A’dam/A’pen, Uitg. Contact, 2010, 446 pp. – ISBN 978 90 254 2743 6

Economische recessie, opwarming van het klimaat, stijgende voedselprijzen en hongersnood, oprukkende virusziekten. Doemdenkers hebben er een hele kluif aan. En toch is er meer reden voor optimisme dan ooit tevoren. Ondanks alle problemen is de wereld van nu een goede plaats om in te leven. Voor het overgrote deel van de mensen is ze op ontelbare gebieden rijker, gezonder en vriendelijker geworden. En Ridley maakt zich sterk dat het nog beter wordt.

De geschiedenis van de mensheid staat bol van de veranderingen en vernieuwingen. Wij kunnen ons niet meer voorstellen hoe het leven 32.000 jaar geleden was, toen de moderne mens in zijn kinderschoenen stond. Toch verschilt de huidige mens niet wezenlijk van de toenmalige mens. Hoe kunnen we dan verklaren dat mensen hun levensomstandigheden voortdurend veranderen en hun levensstandaard verhogen?

Het antwoord is te vinden in de economie. Mensen zijn als eerste en enige diersoort begonnen met dingen uit te wisselen tussen niet-verwante individuen. Ze zijn gaan delen, ruilen, handelen. Het effect hiervan was dat iedereen zich kon specialiseren in een vaardigheid. Het product daarvan kon dan geruild worden voor producten van andere specialisten. Het delen van kennis en vaardigheden effende de weg naar technologische vernieuwing. Zo ontstond er een collectieve intelligentie, die mensen in staat stelde om een steeds hoger levenspeil te bereiken.

Wanneer en hoe is de gewoonte om aan ruilhandel te doen begonnen? Waarom hebben mensen deze voorliefde ontwikkeld? In dit boek probeert Ridley begrijpelijk te maken hoe dit werkt. Hij doorgrondt hoe handel en vrije uitwisseling van goederen de motor waren van de opeenvolgende ingrijpende vernieuwingen in de geschiedenis van de mensheid.

De drijvende kracht achter de landbouwrevolutie waren bestaande handelsnetwerken. Die maakten het mogelijk om geavanceerde landbouwtechnologie in- en uit te voeren. Ze leverden mensen ook het voedsel dat ze zelf niet konden produceren. En in onze tijd kunnen er dank zij de wereldwijde handel steeds meer mensen behoorlijk gevoed worden.

Handel was de motor achter de opkomst en groei van de steden, een ontwikkeling die overal ter wereld mensen bevrijdde van het zware werk op het land. Tegenwoordig voltrekt twee derde van de economische groei zich in de steden. Mensen trekken nog steeds naar de stad. Hoe zwaar hun leven er ook is, voor de meesten is het nog altijd beter dan op het platteland.

Ook de industriële revolutie was alleen mogelijk door de intensieve handel. Het is waar dat ontelbaar veel mensen tijdens deze periode in zeer zware omstandigheden moesten leven en werken. Toch trokken ze in groten getale de fabrieken in omdat die uitzicht boden op een beter leven. En als gevolg van de mechanisering van de productie stegen de inkomens in alle klassen.

Handelsverkeer levert een onbeperkt kennisreservoir dat steeds meer nuttige kennis oplevert. De intensieve uitwisseling van ideeën is dan weer kenmerkend voor de exponentiële groei en vernieuwing waarvan wij getuige zijn. Het tempo waarin dat gebeurt gaat steeds sneller. Hoe meer uitvindingen er gedaan worden, des te meer er gedaan kunnen worden. Vernieuwing is grenzeloos.

Maken we ons dan onnodig zorgen over de toekomst? Wat dan met de opwarming van het klimaat? Wat met de deplorabele toestand waarin Afrika verkeert? Het is veel waarschijnlijker dat Afrika aan het einde van de eenentwintigste eeuw rijk zal zijn zonder dat zich een rampzalige klimaatverandering heeft voorgedaan, stelt Ridley. Dank de vrije uitwisseling van goederen en ideeën kunnen we vertrouwen op de vernieuwingen die er zeker aankomen.

Omdat ze redeneren vanuit de gekende toestand zien mensen de toekomst snel somber in. Er zullen altijd ‘apocaholici’ opstaan die dit natuurlijke pessimisme exploiteren. Als we doorgaan zoals we bezig zijn zal de wereld inderdaad ten onder gaan. Maar de wereld zal niet doorgaan zoals ze bezig is, want de culturele evolutie zorgt ervoor dat ze voortdurend in beweging is.

Ridley ontkent niet dat er ernstige problemen zijn en ook niet dat er in de toekomst geen zullen zijn. De geschiedenis toont echter aan dat rationeel optimisme een meer realistische houding is dan apocalyptisch pessimisme. Ondanks tegenslagen en ondanks het feit dat mensen hun menselijke aard zullen behouden, zal de mensheid zich blijven ontwikkelen. Het is heel wel mogelijk dat in het jaar 2110 de mensheid een heel stuk beter af zal zijn dan nu.

Dat ambitieuze optimisme is zelfs een morele verplichting. Want juist omwille van de ‘vermijdelijke’ ellende moet er vaart worden gemaakt met economische vooruitgang, vernieuwing en verandering. Het is de enige gekende manier om veel meer mensen van de voordelen van een stijgend levenspeil te laten genieten. Handel bevordert bovendien een cultuur van samenwerking, billijkheid en respect voor het individu.

Met De rationele optimist levert Matt Ridley weer een doordacht en stevig onderbouwd populairwetenschappelijk boek. Hij ontvouwt een verfrissende en originele kijk op de menselijke geschiedenis en samenleving. Hij geeft een nieuw antwoord op de intrigerende vraag wat ons eigenlijk mens maakt. Hij daagt ons uit om verandering te omhelzen en bij te dragen tot de vooruitgang van de mensheid en de wereld. En al is hij soms erg voortvarend, hij zet je op zijn minst aan het denken over de alarmerende taal van wereldverbeteraars.

Net als die andere optimist beheerst Ridley de kunst om serieuze inhoud op een onderhoudende en bijwijlen grappige wijze aan te bieden. U leest geboeid vanaf het begin en bent bij het laatste hoofdstuk voor u er erg in hebt. En u kijkt al uit naar zijn volgende boek.

© Minervaria

Written by minervaria

7 oktober 2013 at 13:17

Een wereld vol bijgeloof

leave a comment »

LauvrijsB07LAUVRIJS, B., Een wereld vol bijgeloof. Van abracadabra tot de zwarte kat. A’pen, Standaard Uitgeverij, 2007, 429 pp. – ISBN978 90 02 22274 0

Waarom houden we onze hand voor de mond als we geeuwen? Waarom kloppen we hout af als we ons verheugen over geluk of een overmoedige uitspraak doen? Waarom moet je opletten om geen zout te morsen, niet onder een ladder door te lopen en geen spiegel te breken? Waarom brengen zwarte katten ongeluk en ontbreekt in veel hotels kamer 13? En waarom worden er kikkerbeeldjes verkocht in Aziatische toeristenshops?

Ondanks de razendsnelle technologische vooruitgang en eeuwenlange pogingen om het in te dijken, blijft ons dagelijkse leven doorspekt met bijgelovige praktijken. Ze werden vermengd met moderne gewoonten en gebruiken en worden toegepast zonder dat we weten wat hun oorspronkelijke betekenis is. De glazen tegen elkaar klinken en toosten, ‘gezondheid’ roepen na een niesbui, de wittebroodsweken, elkaar een gelukkige verjaardag wensen hebben allemaal te maken met bijgeloof.

Bart Lauvrijs doceert Volksdevotie aan de Faculteit voor Vergelijkende Godsdienstwetenschappen te Antwerpen. Al lang is hij gefascineerd door de wondere wereld van het bijgeloof. In dit boek wil hij de lezer op een zowel wetenschappelijk onderbouwde als begrijpelijke manier vertrouwd maken met een ruime waaier van bijgelovige rituelen en praktijken.

Maar wat heet bijgeloof? Daarover bestaat geen eensgezindheid. Het domein van het bijgeloof is immers bij uitstek gekleurd door subjectieve waardeoordelen. Wat de ene als bijgeloof bestempelt is voor de andere bittere ernst. In het eerste hoofdstuk onderneemt Lauvrijs een poging om het begrip bijgeloof te definiëren en het te onderscheiden van geloof, folklore, magie, religie en esoterie.

Vervolgens worden we ingewijd in de betekenis van uiteenlopende bijgelovige praktijken waarmee mensen van oudsher probeerden de geestenwereld gunstig te stemmen en hun vruchtbaarheid veilig te stellen. Het wordt duidelijk waarom het klavertjevier, hoefijzers en vallende sterren geluk brengen en we op onze hoede moeten zijn voor vrijdag de 13de, zwarte katten, met het linkerbeen uit bed stappen, zons- en maansverduistering en vallende sterren. Weerwolven, vampiers, draken, spoken, kabouters, heksen, duivels, elfen en kobolden passeren de revue. De betekenis van amuletten en talismannen, kleur- en getallensymboliek en horoscopen wordt onthuld. Ook uitdrukkingen zoals ‘wittebroodsweken’ en ‘als een zombie door het leven gaan’ blijken te wortelen in het bijgeloof.

In het laatste hoofdstuk krijgen we tenslotte een interessante inkijk in het bijgeloof achter de rituelen bij belangrijke levensmomenten. We krijgen een antwoord op de vraag waarom toekomstige ouders de naam van de baby angstvallig geheim houden en waarom het gebruikelijk is dat de bruid haar bruidsboeket weggooit. Zelfs een schijnbaar onschuldig gebruik als kaarsjes op de verjaardagstaart uitblazen heeft een bijgelovige achtergrond.

De auteur heeft zich grondig gedocumenteerd. Toch heeft dit werk mij wat teleurgesteld. Ik had meer uitleg verwacht over de oorsprong van bijgeloof en de functie ervan. Heel wat bijgelovige praktijken zijn immers terug te brengen tot dezelfde menselijke bekommernissen. De beloofde wetenschappelijke onderbouwing moet het nu echter afleggen tegen de ambitie om zoveel mogelijk weetjes en anekdotes te presenteren.

In zijn tweede opzet is de auteur echter wel geslaagd. Alhoewel in een soms slordige taal, is het boek zeer toegankelijk geschreven. Elk hoofdstuk kan afzonderlijk gelezen worden, zodat de lezer naar believen kan grasduinen.

© Minervaria

Written by minervaria

4 januari 2013 at 20:56

Geplaatst in Antropologie, Maatschappij

Tagged with

Overlevers

with 4 comments

STRINGER, C., Overlevers. Hoe het komt dat wij de enige mensachtigen op aarde zijn. (Vert. Lone Survivors. How we Came To Be the Only Humans On Earth, 2012) A’dam, Nieuw Amsterdam, 2012, 382 pp. – ISBN 978 90 468 1130 6

Hoe komt het dat wij zijn zoals we zijn? Wat weten we over de oorsprong en ontwikkeling van onze eigen soort, Homo sapiens? Af en toe haalt een opmerkelijke vondst, zoals de dwergmens op het eiland Flores, het nieuws. Veel van de nieuwe ontdekkingen en bijbehorende discussies zijn echter alleen te vinden in zeer technische publicaties in diverse gespecialiseerde tijdschriften en boeken.

Dit boek schreef Chris Stringer voor de doorsnee geïnteresseerde lezer. In de afgelopen dertig jaar was Stringer als onderzoeker verbonden aan het Natuurhistorisch Museum in Londen. In die functie was hij van dichtbij betrokken bij het onderzoek naar de oorsprong en evolutie van de mens.

Lang moesten onderzoekers genoegen nemen met schaarse fossiele vondsten van vroege mensensoorten, maar de afgelopen decennia leverden veel meer gegevens op. Niet alleen werden overal ter wereld bijzondere fossielen gevonden, bovendien werden talloze nieuwe technieken ontwikkeld om ze te dateren en te onderzoeken. Inmiddels beschikken we zelfs over DNA uit fossielen van Neanderthalers. En de nieuwste methodes uit de genetica onthullen onze verwantschap met vroegere mensensoorten.

Bijna alles van wat we weten over de afstamming van de mens is afgeleid uit fossiele overblijfselen die vaak toevallig werden gevonden. De informatie die fossielen leveren is echter zelden eenduidig. Er bestaan dan ook zeer uiteenlopende zienswijzen over de wieg van de mensheid en haar verspreiding over de wereld. Tegenwoordig zijn de meeste paleontologen het er intussen over eens dat de mens in Afrika is ontstaan en vervolgens is weggetrokken naar aangrenzende delen van de wereld.

Maar wanneer is dat gebeurd en hoe? Hoe passen de verschillende mensensoorten in het plaatje? Hoe verhoudt de moderne mens zich tot zijn naaste verwant en mogelijke concurrent, de Neanderthaler? En als alle nu levende mensen afstammen van dezelfde Homo sapiens die destijds vanuit Afrika de wereld veroverde, hoe kunnen we de raciale of regionale verschillen dan verklaren? Het is fascinerend om te zien hoeveel fossielen ons daarover kunnen vertellen.

Verfijnde analyses van de grootte en vorm van oude schedels en van verborgen structuren, zoals de botjes in het binnenoor, vertellen ons heel wat over de houding, de manier van voortbewegen en de zintuigen van de archaïsche en vroegmoderne mensen. Fossielen vertellen echter niet alleen iets over hun fysieke kenmerken, maar ook over de ontwikkeling van menselijk gedrag en de wijze waarop vroege mensen leefden. Ze zeggen ook iets over de verschillen met andere menselijke soorten zoals de Neanderthalers.

Een reeks interessante technieken onthullen hoe deze vroege mensensoorten hun leefomgeving gebruikten, wat ze aten, hoe hun kinderen een miljoen jaar geleden opgroeiden en hoe ze zorg droegen voor hulpbehoevenden. De fossiele vondsten tonen aan dat ze zich goed staande hielden tegen gevaarlijke dieren. Hieruit valt dan weer af te leiden dat ze beschikten over samenwerkingsvaardigheden en intelligentie. Ze konden zich verplaatsen in de wereld van anderen en beschikten over taal en symboolgebruik. En die leverden hen dan weer een aantal nuttige complexe overlevingsmechanismen.

Uit genetisch onderzoek weten we met redelijke zekerheid veel over de trektochten van de vroege mens, de grootte van de groepen en over mogelijke verwantschappen. Hun technologische ontwikkeling was veel verfijnder dan populaire afbeeldingen ons voorstellen. Het DNA van luizen vertelt ons bijvoorbeeld dat onze voorouders niet in berenvellen rondliepen maar reeds vroeg geweven kleding droegen. Ze moeten ook beschikt hebben over manden en draagdoeken. Hoe konden vrouwen anders hun baby’s bij zich houden terwijl ze voedsel verzamelden?

En weten we nu ook hoe de moderne mens erin slaagde om alle andere mensensoorten te overleven en de dominante soort te worden? Op deze hamvraag is er nog steeds geen sluitend antwoord. Verder dan hypothesen over de evolutie van de mens in Afrika en de migratie en verovering van de wereld is men nog niet gekomen. Het is niet eens duidelijk hoe en waardoor de mens ontstond en wat de aanzet gaf tot de evolutie van de moderne mensen. De vraag is of we dat ooit met zekerheid zullen weten.

Stringer gelooft niet dat er één enkel correct antwoord is op de vraag waar, wanneer en waardoor de mens ‘modern’ werd. Onze soort heeft een ingewikkelde evolutionaire voorgeschiedenis. Wat we zien is een vlechtwerk van ontwikkelingen die leiden tot menselijk gedrag. Veel van de kenmerken die wij nu als uniek menselijk beschouwen delen we in min of meerdere mate met inmiddels uitgestorven soorten als Homo erectus en de Neanderthalers. Er zijn zelfs aanwijzingen dat er nog neanderthalerbloed door onze aderen stroomt.

Wij zijn de enige overlevende vertegenwoordigers van uitgebreide evolutionaire experimenten met menselijke eigenschappen, die op verschillende plekken en op verschillende momenten tot ontwikkeling kwamen. Die elementen voegden zich geleidelijk samen tot de vorm die wij tegenwoordig kennen. De evolutie had talloze andere wegen kunnen bewandelen. Wij zijn de enige versie van menselijkheid die het heeft overleefd.

De moderne mens is bovendien geen eindproduct, maar nog volop aan het evolueren. Al is dat op het eerste zicht niet duidelijk, er zijn legio aanwijzingen dat de evolutie van de mens eerder versneld dan vertraagd verloopt. De meeste veranderingen hebben te maken met vatbaarheid en weerstand tegen ziekten. Maar men stelt ook vast dat de gemiddelde herseninhoud van de mens aan het afnemen is. De recente evolutie van de mens wordt steeds meer beïnvloed door cultuur en technologie.

Het ‘definitieve handboek’ over de oorsprong van de mens, zoals het in The Guardian wordt genoemd, is Overlevers niet. Daar zou een wetenschapper als Chris Stringer het beslist niet mee eens zijn. Ook al is er veel meer bekend dan een paar decennia geleden, de puzzel is bijlange nog niet gelegd en er blijven nog veel vragen over. Maar een standaardwerk is dit boek wel. Het biedt een inzichtelijke en hoogst leerrijke synthese van de huidige stand van het onderzoek naar ons verre verleden.

Afgezien van enkele vrij technische passages, is het betoog bovendien erg toegankelijk geschreven en laat zich lezen als een roman. Het heeft mij van begin tot einde kunnen boeien. Warm aanbevolen!

© Minervaria

Written by minervaria

16 juli 2012 at 17:05