Voor u gelezen

Over mens en maatschappij

Archief beheerder

Ingelepeld

with 2 comments

SPECTOR, T., Ingelepeld. Waarom maar weinig klopt van wat ons over voeding is verteld. A’dam, Uitg. Nieuwezijds, 2021, 302 pp. – ISBN 978 90 5712 543 0

Niet meer eten voor je gaat slapen. Zwangere vrouwen moeten eten voor twee. Groenten uit blik zijn ongezonder dan verse. Van koolhydraatarm eten word je slank. 

De adviezen vliegen ons om de oren, maar we worden er niet gezonder op. Integendeel, wereldwijd ziet men een enorme toename aan chronische ziekten gerelateerd aan voeding en leefstijlen. Die onzekerheid is gesneden brood voor voedings- en dieetgoeroes die om de haverklap een nieuw beloftevol dieet lanceren en er een dik belegde boterham aan verdienen.  Wat is er werkelijk waar van al die beweringen over eten en voeding?

Tim Spector is arts en wetenschapper aan King’s college in Londen. Sedert meer dan tien jaar verdiept hij zich intensief in de voedingswetenschap. Als rechtgeaard scepticus ontmaskert hij genadeloos en met glans de machinaties en de gebakken lucht van de voedingsindustrie en de dieetgoeroes. En dit gebeurt op basis van de meest recente onafhankelijke wetenschappelijke inzichten van de voedingswetenschap, een vrij nieuw vakgebied dat zich de laatste jaren snel ontwikkelt. Onder invloed van de bevindingen is hij zelf van mening veranderd over de meeste algemeen aanvaarde opvattingen over voeding. 

Gedegen onderzoek wijst uit dat  er niet zoiets bestaat als één goede manier van eten die voor iedereen werkt.  Anders dan de goeroes beweren zijn er dus geen eenvoudige, zwart-wit oplossingen. Calorieën tellen heeft geen zin, want iedere persoon is anders.  Het is al moeilijk genoeg om in te schatten hoeveel calorieën iemand nodig heeft om zijn lichaam efficiënt te laten functioneren.  Voedingsmiddelen met dezelfde calorische waarde kunnen bovendien heel uiteenlopende effecten hebben op de stofwisseling.

Drie obstakels staan een betere kennis over voedsel en voeding in de weg: slechte wetenschap, verkeerde interpretatie van onderzoeksresultaten en de voedingsindustrie. De laatste heeft een grote schadelijke invloed en enorme macht over de consument. Veel van de mythes over voeding zijn aangewakkerd door de voedingsindustrie en -producenten van voedingssupplementen. Deze misleiden de consument op alle mogelijke manieren om hun waren te verkopen.

Dat talloze adviezen en voorzorgsmaatregelen onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn hoeft niet te verbazen. Voedingsproducenten zijn belangrijke sponsors van wetenschappelijk onderzoek. De resultaten daarvan passen dan ook perfect  in het kraam van de voedingsindustrie. Al even erg is dat overheden deze resultaten kritiekloos omzetten in adviezen aan de bevolking. Sommige daarvan zijn potentieel gevaarlijker dan wat ze verketteren. 

Op grond van zuiver wetenschappelijk onderzoek ontkracht Tim Spector liefst 24 mythes over voeding en leefstijl. Anders dan de overheid en volksgezondheidsinstanties beweren, hebben gezonde mensen geen voedingssupplementen nodig als ze gevarieerd en vers eten en voldoende zonlicht opvangen. U zult niet afvallen als u suikervrije dranken en voeding gebruikt. Blikvoedsel is niet per definitie ongezond of slechter dan vers. Het idee van 10.000 stappen per dag is onzin (zie ook Scientias).

U verneemt waarom de auteur zijn smeermargarine in de vuilnisbak heeft gegooid en vervangen door de goede oude boter.  Hij legt uit waarom vlees op zich niet slecht is voor de gezondheid en in kleine hoeveelheden zelfs gezond en waarom vis niet altijd een gezonder alternatief is. Hij maakt duidelijk waarom je geen twee liter water per dag moet drinken uit flessen. En misschien zult u opgelucht zijn te vernemen dat koffie drinken helemaal niet zo slecht is. 

Het advies van Spector? Laat u niet leiden door wat er gezegd wordt. Eet gevarieerd, hoofdzakelijk plantaardig en indien mogelijk zonder toegevoegde chemische stoffen. U leert wanneer er een belletje moet gaan rinkelen met een aantal interessante tips om misleidende boodschappen te doorzien. En tot slot krijgt u een handig lijstje met uitgangspunten voor een gezonde en gevarieerde voeding.

Zoekt u een betrouwbaar boek over voeding en leefstijl? Dan is Ingelepeld een prima keuze. De inhoud is wetenschappelijk grondig gefundeerd. De korte hoofdstukken zijn bovendien zeer vlot te lezen en kunnen afzonderlijk geraadpleegd worden zoals in een naslagwerk. Een echte aanwinst!

© Minervaria

Written by minervaria

28 maart 2022 at 11:27

Geplaatst in Gezondheid en welzijn

Tagged with

De reis van onze genen

leave a comment »

KRAUSE, J. & T. TRAPPE, De reis van onze genen. Onze geschiedenis en die van onze voorouders. (Vert. Die Reise unserer Gene. Eine Geschichte über uns und unsere Vorfahren, 2019) Nieuw Amsterdam, 2020, 285 pp. – ISBN 978 90 468 2681 2

Waar komt lepra vandaan? Hoe komt het dat de oorspronkelijke bewoners van Noord- en Zuid-Amerika nauwer verwant zijn aan de Europeanen dan aan Aziaten? Waarom werden de Kelten en Germanen door de Romeinen ‘melkdrinkers’ genoemd? Hoe komt het dat het Nederlands tot dezelfde taalfamilie behoort als het Koerdisch?

Met behulp van de archeogenetica kunnen deze en andere vragen met grote zekerheid beantwoord worden. Die nieuwe discipline leverde reeds gigantisch veel kennis op over het verre verleden van mensen. In oeroude menselijke beenderen vindt men niet alleen het genetisch profiel van de overledenen, maar is ook te zien hoe hun erfelijke eigenschappen zich hebben verspreid. 

In dit boek wordt u ondergedompeld in het intrigerende verhaal van de drie grote migratiegolven die sinds de oertijd een stempel op Europa hebben gedrukt en die het fundament hebben gelegd voor de westerse wereld. 

Het Europese DNA leert dat de Neanderthaler na de laatste grote ijstijd het onderspit moest delven tegen de moderne mens. Deze oorspronkelijke Europese jagers-verzamelaars werden vervolgens ongeveer 8000 jaar geleden gemarginaliseerd en verdreven door immigrerende landbouwers uit Anatolië. En in datzelfde DNA vindt men tevens sporen van een derde immigratiegolf, dit keer van steppebewoners uit de Vruchtbare Sikkel. 

Het DNA van de begraven mensen geeft bovendien een inkijk in de toenmalige leefgewoontes en -omstandigheden. Zo bracht de derde migratiegolf een omslag teweeg in het voedingspatroon van de bevolking, namelijk de consumptie van zuivel. Zo is een aanzienlijk deel van de Noord-Europese bevolking lactosetolerant maar niet in Zuid-Europa. Na de laatste migratiegolf werd de structuur van de samenleving duidelijk hiërarchisch en patriarchaal. De bevindingen van de archeogenetica verhelderen bovendien hoe en wanneer de huidige Europese talen zich over Europa en Azië hebben verspreid. 

De mobiliteit van de vroege mens bracht vooruitgang en technologische ontwikkeling, maar had ook een prijs. Genetische analyses brengen de oorsprong van infectieziekten zoals de pest, de pokken, syfilis, lepra vrij nauwkeurig in verband met de vroege immigratiegolven. We weten nu dat de pest veel vroeger in Europa is gekomen dan gedacht. En er zijn harde aanwijzingen dat de Europese rode eekhoorn de gastheer was van de leprabacil.

De archeogenetica laat zien dat mensen met ‘zuivere’ Europese wortels niet bestaan en waarschijnlijk ook nooit bestaan hebben. We hebben allemaal een migratieachtergrond en onze genen getuigen hiervan.

De reis van onze genen is een razend interessant werk met een degelijk onderbouwde inhoud en verzorgde vormgeving. Johannes Krause is wereldwijd een van de bekendste deskundigen op het gebied van de archeogenetica. Van zijn kennis en inzichten heeft de journalist Thomas Trappe een zeer onderhoudend en intrigerend relaas gemaakt. Dat moest blijkbaar bondig zijn, maar voor mij mocht het gerust veel uitgebreider. 

© Minervaria

Written by minervaria

27 februari 2022 at 15:21

De opgewekte nihilist

leave a comment »

SYFRET, W., De opgewekte nihilist. Hoe het besef dat je leven geen zin heeft je gelukkig kan maken. (Vert. The Sunny Nihilist, 2021) A’dam, Bruna Uitgevers, 2021, 190 pp. – ISBN 978 94 005 13143

Hoezo, de opgewekte nihilist? Wat is er opbeurend aan een filosofische stroming die beweert dat het leven zinloos is? Wat doet alles er dan nog toe? Waarom zou je dan nog moeite doen om iets te bereiken? En hoe kan het besef dat je leven geen zin heeft je gelukkig maken?

Het hoeft niet te verbazen dat het nihilisme geassocieerd wordt met zwartgalligheid, onverschilligheid en dat het inspiratie geeft aan anarchisten en plegers van zinloze aanslagen. Je zou van minder depressief worden.

Toch zit er in het nihilisme volgens Wendy Syfret een bevrijdende boodschap. Als je de zoektocht naar de diepere zin en betekenis van het leven loslaat wordt het leven niet minder waard, maar kun je er beter van genieten. In dit boek schrijft ze neer hoe zij dat zelf ziet en aanpakt. Het is het persoonlijk relaas van een millennial die wil loskomen van de verpletterende verwachtingen die aan mensen worden gesteld. 

Mensen hebben altijd al gezocht naar de betekenis van gebeurtenissen zich aan hen voordoet. Zingeving is eigen aan de mens. Wij kunnen ons een werkelijkheid zonder zin moeilijk voorstellen. Tot een eeuw geleden vonden mensen die in de religie, de cultuur, de familie. In de eenentwintigste eeuw is zingeving echter tot een obsessie geworden met onrealistische idealen, zoals een schitterende carrière of een perfecte relatie. 

Het gevolg is dat veel mensen zichzelf de hele tijd gestresst achterna lopen en overvragen. Overwerkte mensen wenden zich tot allerlei commerciële initiatieven om efficiënter te werken, beter te kunnen slapen en productiever te zijn. De obsessie met romantische liefde zadelt beide partners op met torenhoge verwachtingen die nauwelijks in te lossen zijn. En het streven naar verlichting en vrede, vroeger het monopolie van de religie, is ingepalmd door de geluks- en zelfontplooiingsbusiness waaraan je hard moet werken.

Hoeveel belang we er ook aan hechten, zingeving is een hopeloos miezerig aanbod, stelt Wendy Syfret. Wat ook de inhoud is, het gaat over iets waar je je hele leven naar moet zoeken, een troost voor kwellingen of beloning voor goedheid. Maar als we er nu eens van uitgingen dat het leven op zich zinloos is? 

Daar kun je natuurlijk verschillende kanten mee uit. Het kan helemaal verkeerd uitpakken en leiden tot defaitisme en weerzinwekkende acties. Maar je kunt het ook geruststellend vinden dat er van jou geen grootse verwezenlijkingen verwacht worden omdat die er niet echt toe doen. Een opgewekte nihilist is zich bewust van de nietigheid van het eigen bestaan, maar ziet er nog steeds zoveel leuke kanten aan dat het de moeite loont om er het beste van te maken en er bovendien van te genieten.

Dit boek is geschreven door een millenial en voor millennials. Ook al is de tekst niet altijd overzichtelijk wegens de vele details, dit is inderdaad een boek met een bevrijdende boodschap!

©  Minervaria

Written by minervaria

31 januari 2022 at 17:11

Geplaatst in Filosofie, Levensbeschouwing

Tagged with

De meeste mensen deugen

leave a comment »

BREGMAN, R., De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens. De Correspondent, 2019, 521 pp. – ISBN 978 90 829 421 87

Met veel aplomb stelt Rutger Bregman dat de meeste mensen deugen. Het is een mythe dat mensen van nature egoïstisch, paniekerig en agressief zijn. Als bewijs worden vaak anekdotes aangehaald, zoals de plunderingen na een ramp. Maar de solidariteit van mensen wordt in de pers minder uitgesmeerd dan de plunderingen. Zo riep de recente watersnood in Wallonië de spontane hulpvaardigheid op van massa’s wildvreemde mensen.

Waar komt dat negatieve mensbeeld vandaan? Onze huidige samenleving is gebouwd op de filosofie van Hobbes. Die stelde dat mensen van nature egoïstisch zijn. De beschaving is slechts een laagje vernis dat de negatieve driften moet beteugelen. Zonder beschaving zouden mensen wilden worden. Dit beeld klopt echter niet met de realiteit en de bevindingen van modern wetenschappelijk onderzoek.

Bregman neemt een aantal wereldberoemde experimenten over agressie onder de loep, die de theorie van de egoïstische mens ondersteunen. Kritisch onderzoek van deze experimenten haalt hun conclusies echter onderuit. Er zijn alternatieve verklaringen voor de bevindingen. Mensen in precaire situaties gaan bij voorkeur samenwerken, elkaar bijstaan en helpen.

Minder bekend wetenschappelijk onderzoek en studie en observatie van relevante gebeurtenissen ondersteunen alle de vriendelijke aard van de mens. In uiteenlopende moeilijke omstandigheden worden mensen geen wilden, integendeel. Ze gaan elkaar in de regel ondersteunen en samenwerken.

Maar hoe valt dat te rijmen met fenomenen als de holocaust en terrorisme? Als er één groep is die het laat afweten dan zijn het de machthebbers, stelt Bregman. Macht doorkruist de natuurlijke vriendelijkheid en empathie van de mens. Machthebbers maken gebruik van de behoefte van de mens om erbij te horen en zijn vrienden niet af te vallen. Zo zetten ze hem aan tot het plegen van gruweldaden zoals terrorisme en racisme.

De conclusie? De mens is een paradoxaal wezen. Hij is tegelijk vriendelijk én xenofoob en machtsbelust. Veel van onze overtuigingen over mensen en wat hen beweegt zijn gebaseerd op een cynisch, kapitalistisch mensbeeld. Zodra we echter gaan geloven dat de meeste mensen deugen verandert alles.

Willen we de vriendelijke aard van de mens naar boven halen, dan spreken we mensen beter aan op hun goede eigenschappen en goede wil, op hun verantwoordelijkheid. Mensen positief bejegenen, ook al zijn ze ons wellicht niet goedgezind, brengt goodwill en bereidheid tot samenwerken.

Een enorm uitgebreide lijst bronnenmateriaal ondersteunt de optimistische stelling van Bregman. Voor het eerst las ik over de schokkende en absoluut minder rooskleurige achtergronden van beroemde psychologische experimenten, zoals het Stanfordgevangenisexperiment.

Toch heb ik daar zo mijn bedenkingen bij. Het mag dan zo zijn dat de meeste mensen het goed menen en tot samenwerking bereid zijn, er zijn slechts een paar machtsbeluste individuen nodig om de boel grondig te verzieken. De recente betogingen tegen de coronamaatregelen bijvoorbeeld liepen niet uit de hand door wangedrag van de meeste deelnemers maar door een aantal notoire relschoppers die de massa meesleuren.

Ik vind de conclusies van Richard Wrangham realistischer. De meeste mensen mogen dan deugen, vreedzaamheid en samenwerking komen er, zeker op grotere schaal, niet vanzelf. Ze vragen inspanning, planning en wetten.

Het betoog is zeer vlot te volgen en de tekst laat zich lezen als een causerie.

© Minervaria

Written by minervaria

16 december 2021 at 17:50

Geplaatst in Antropologie, Filosofie

De goedheidsparadox

leave a comment »

WRANGHAM, R., De goedheidsparadox. Deugen de meeste mensen wel? ( Vert. The Goodness Paradox, 2019) A’dam, Hollands Diep, 2021, 492 pp. – ISBN 978 90 488 5919 1

Zijn mensen van nature goed of slecht? Over deze vraag hebben ettelijke filosofen zich het hoofd gebroken. Het antwoord ligt in het midden, stelt Richard Wrangham. In de mens zit de mogelijkheid tot goed en kwaad. Bij mensen vinden we een zeldzame en verbazingwekkende combinatie van morele neigingen van onnoemelijk wreed tot hartverwarmend vrijgevig. Waar komt deze combinatie vandaan? Hoe is dat zo gekomen?

In eerste instantie verheldert Wrangham het onderscheid tussen twee soorten agressie: reactieve en proactieve agressie. In vergelijking met zijn nauwste verwant, de chimpansee, vertoont de mens relatief weinig reactieve agressie. Chimpansees, vooral de mannetjes,  zijn lichtgeraakt en heetgebakerd. De mens blinkt daarentegen uit in proactieve agressie: koelbloedig, berekenend en opzettelijk anderen aanvallen en schade berokkenen.

Waarom ontbreekt het ons aan reactieve agressie en zijn we zo bedreven in proactieve agressie?

Wat het eerste betreft zijn er opmerkelijke overeenkomsten tussen mensen en gedomesticeerde dieren, zowel in gedrag als fysieke kenmerken. Vergeleken met hun wilde soortgenoten zijn gedomesticeerde dieren ook opvallend vriendelijk en vreedzaam. Steeds meer wetenschappers beschouwen de mens als een gedomesticeerde versie van een vroege menselijke voorouder.

Maar dan stelt zich natuurlijk de vraag wie de mens gedomesticeerd heeft. Nu blijkt dat niet alle ‘gedomesticeerde’ dieren door de mens zijn getemd. Bij de bonobo, even verwant aan de mens als de chimpansee, vinden we nagenoeg alle kenmerken van een gedomesticeerde soort. Wrangham concludeert dat de bonobo zichzelf moet hebben gedomesticeerd. Hij onderzoekt hoe dit proces zich kan voltrokken hebben.

Bij de bonobo worden de mannetjes in toom gehouden door samenwerkende vrouwtjes. De mens is echter geen bonobo. De achterliggende motor van de zelfdomesticatie bij de mens is volgens Wrangham de executie van al te agressieve en dominante mannen. Dit was mogelijk omdat de vroege mensen steeds beter konden samenwerken en van elkaar leerden. Ook bij een aantal gedomesticeerde dieren vallen deze eigenschappen op.

Hieruit concludeert Wrangham dat de combinatie van samenwerking, sociaal leren en de ontwikkeling van taal de zelfdomesticatie van de mens verder in de hand werkte. Op basis van wat we weten over de neanderthaler, onderbouwt hij de stelling dat homo sapiens een veel uitgebreidere cultuur en ook moraliteit kende. Het is best mogelijk dat het gebrek aan samenwerking en hogere reactieve agressie de neanderthaler fataal geworden is in de evolutionaire wedloop met homo sapiens.

Samenwerking en overleg kan tegelijk ook de toename van proactieve agressie hebben ondersteund. Om al te licht ontvlambare mannen uit de weg te ruimen door middel van executie, moesten mensen coalities vormen. Dit resulteerde in een nieuw soort dominantie: de alfaman met absolute macht. Despotisch gedrag, het vermogen om straffeloos te doden, te straffen en te knechten, is complementair met gehoorzaamheid en meegaandheid. Oorlogvoering zit ons even ingebakken als vredevol samenleven.

Het is echter niet omdat oorlogvoering of proactieve agressie evolutionair adaptief is, dat het dan ook onvermijdelijk moet gebeuren. Vreedzame en eerlijke samenlevingen liggen in ons bereik, maar ze zullen niet vanzelf ontstaan. Ze vragen inspanning, planning, samenwerking en wetten om georganiseerd geweld te voorkomen.

Een nieuw boek van Richard Wrangham kon ik zeker niet ongelezen laten. De goedheidsparadox heeft helemaal aan mijn verwachtingen voldaan. Net als zijn vorige werken is het een voorbeeld van hoogstaand kritisch wetenschappelijk denken.

Dit is een boek om steeds weer opnieuw te lezen.

© Minervaria

Written by minervaria

23 november 2021 at 19:54

De eenzame eeuw

leave a comment »

HERTZ, N,. De eenzame eeuw. Het herstellen van menselijk contact in een wereld die steeds meer ontrafelt. (Vert. The Lonely Century, 2020) A’dam, Uitg. Unieboek/Het Spectrum, 2020, 399 pp. – ISBN 978 90 00 36877 8

De recente hittegolf in Portland eiste zeker 54 dodelijke slachtoffers. De meesten waren alleenstaande bejaarde mensen. Een lid van de staatscommissie voor senioren noemde hen ‘de onzichtbaren’.

Onzichtbaarheid is volgens Noreena Hertz een van de gevolgen van eenzaamheid. Dat probleem beperkt zich niet tot een hittegolf of de huidige Covid-crisis. We beleven een wereldwijde eenzaamheidscrisis, zegt zij. Die tast niet enkel de geestelijke, maar ook de lichamelijke gezondheid aan. Ze is bovendien de oorzaak van een economische crisis, wakkert verdeeldheid en extremisme aan en vormt een bedreiging voor de democratie.

Hertz laat zien hoe groot de eenzaamheidscrisis is, hoe het zover heeft kunnen komen en hoe het nog erger kan worden als we er niets tegen doen. Ze hanteert een ruime definitie van eenzaamheid. Het gaat niet alleen om gebrek aan steun en waardering van onze naasten, maar eveneens van medeburgers, werkgevers, overheid, gemeenschap. De moderne maatschappij werkt eenzaamheid op verschillende manieren in de hand. Het is bovendien een vicieuze cirkel. Eenzame mensen zijn minder aantrekkelijk en worden gemakkelijker aan de kant gelaten.

De ultieme oorzaak is een bijzonder brute vorm van kapitalisme. De neoliberale ideologie propageert een geïdealiseerde vorm van zelfredzaamheid en een meedogenloze competitieve mentaliteit. Eigenbelang primeert boven gemeenschap en gemeenschappelijk belang. Aan die cultuur van zelfbeschikking hangt echter een aanzienlijk prijskaartje. Zorgzaamheid, solidariteit, mededogen, vriendelijkheid, die ons echt gelukkiger maken, worden onder de mat geveegd.

Bijzonder streng is Hertz voor de politiek. Die heeft de neoliberale visie kritiekloos omarmd en de gewone mens in de steek gelaten. In een doordringende en treffende analyse toont ze aan hoe het verlies van vertrouwen in de overheid polarisatie en versplintering in de hand werkt. Eenzaamheid is koren op de molen van populistische en extremistische politici.

De ieder-voor-zich maatschappij laat zich gelden in nagenoeg alle sectoren van het leven. De toenemende verstedelijking met het snelle leven, de structuur en de anonimiteit van de stad, zorgt voor vijandigheid en achteloosheid als zelfbeschermingsreactie. Deze evolutie wordt versterkt door de opgang van contactloosheid bij de dagelijkse transacties, zoals zelfbedieningskassa’s, online kopen en maaltijden bestellen.

Intussen hebben de maatregelen ten gevolge van de Covid-pandemie ons duidelijk gemaakt hoe belangrijk real-lifecontact tussen mensen is. Digitale communicatie en sociale media kunnen dit niet vervangen, integendeel. Anders dan men op het eerste zicht zou denken, maken sociale media ons juist eenzamer. Vooral kinderen en jongeren worden getroffen.

Ook de inrichting van de werkplek werkt vaak eenzaamheid in de hand. Kantoortuinen, beoordeling en surveillance door collega’s, werkmonitoring door AI-machines maken werken bijzonder stresserend. De voorbije decennia verliezen bovendien steeds meer mensen hun baan als gevolg van robotisering en automatisering. Innovatie is natuurlijk onvermijdelijk, maar er zitten serieuze adders onder het gras. Mensen die zich uitgerangeerd voelen zijn meer geneigd om te stemmen voor extreemrechtse en nationalistische partijen.

Zelfs liefde en zorg worden gerobotiseerd. Sociale robots moeten het gebrek aan gezelschap en contact van oudere mensen opvangen. Hun inzet mag dan wel tot op zekere hoogte succesvol zijn, ze roepen ook vragen op. Hoe meer we ons verlaten op technologie inzake relaties en contact, des te sterker worden de voorwaarden voor gemeenschapszin en democratie uitgehold, zo toont Hertz overvloedig aan.

Intussen hebben innovatieve ondernemers het gat in de markt ontdekt. De eenzaamheidseconomie is alvast in de VS een bloeiende zaak geworden. Daar kun je gezelschap huren per tijdseenheid. Hertz heeft het getest en bekijkt deze commerciële initiatieven met een kritische blik.

Gelukkig zijn er andere innovatieve en effectieve manieren om eenzaamheid aan te pakken, zoals het stimuleren van de lokale economie en de herinrichting van de steden op maat van de bewoners.

De eenzame eeuw mag dan weinig opwekkend zijn, het is zeer onderhoudend en toegankelijk geschreven. Het boek laat zich lezen als een roman.

©  Minervaria

Written by minervaria

15 augustus 2021 at 15:11

De gouden draad

leave a comment »

St CLAIR, K., De gouden draad. Hoe stoffen geschiedenis schrijven. (Vert. The Golden Thread, 2018)  A’dam, Meulenhoff Boekerij, 2019, 393 pp. – ISBN 978 90 290 9333 0

Kleding, beddengoed, gordijnen, tafellakens, vloerbedekking. We staan er zelden bij stil, maar wij leven tussen stoffen. Onze taal is doorweven met uitdrukkingen die naar textiel verwijzen, zoals ergens garen bij spinnen, de draad kwijt raken, een steek los hebben.

Het belang van textiel reikt echter veel verder. Stoffen hebben de wereld veranderd. Ze speelden een essentiële rol in de menselijke geschiedenis. En dat toont Kassia St Clair in haar vlot leesbare boek met verve aan.

We moeten ons beeld van onze voorouders, jagend in dierenpelzen, bijstellen. De mens beschikte veel vroeger over de technologie om plantenvezels tot stoffen te weven dan algemeen gedacht. Archeologische opgravingen leverden de resten op van geweven stoffen die minstens 30.000 jaar oud zijn.

Uit de Oudheid zijn uiteraard veel meer resten overgebleven. Stoffen waren arbeidsintensieve en hoogtechnologische producten en dus luxegoederen en statussymbolen bij uitstek. Ze waren dan ook lucratieve handelswaar. Zo lag de handel in zijde uit China aan de basis van de opkomst en bloei van de culturen in Klein-Azië en het Midden-Oosten.

Met hun wollen zeilen hadden de Vikingen een voorsprong op zee en waterwegen. Daarmee konden ze tot diep in het huidige Rusland doordringen en nederzettingen te stichten in Groenland en het huidige Noord-Amerika. In de middeleeuwen werd de bloeiende Engelse wolhandel ingezet in de politieke machinaties en gebiedsbetwistingen tussen de verschillende Noord-Europese machthebbers.

Frankrijk en Venetië voerden zelfs heuse kantoorlogen. Kant, een onpraktisch materiaal uit linnen, was immers een luxeproduct om rijkdom, goede smaak en rang te etaleren. Tot ver in de 18e eeuw waren er overigens overal wetten en bepalingen die voorschreven hoe iemand zich moest of niet mocht kleden volgens rang en stand.

Het bewerken van stoffen was in alle culturen traditioneel vrouwenwerk. Het vereiste zeer veel inspanning, tijd en kundigheid. De achteloosheid waarmee wij tegenwoordig met kleding omgaan zou onze voorouders met afgrijzen vervuld hebben, De meeste mensen droegen hun kleren tot ze versleten waren, want stoffen en textiel waren kostbaar. Mode was alleen voor de rijken.

Katoen, de vierde natuurlijke vezel, was inheems in Afrika en Azië. Nadat de Europeanen in de 18e eeuw het comfort ervan ontdekt hadden, werd het de belangrijkste stof in het Westen. Het succes van katoen lag aan de basis van de internationale slavenhandel. Katoen vormde ook de stimulans tot mechanisatie, en daarmee de industriële revolutie.

De opkomst van synthetische vezels en stoffen in de tweede helft van de 20e eeuw maakte het mogelijk om de horizon verder te verleggen. Alpinisme, ruimtevaart en recordprestaties in de sport zouden niet mogelijk zijn zonder hoogtechnologisch textiel. Aan de opkomst daarvan zijn echter ook serieuze nadelen verbonden. De verwerking en vervaardiging gebeurde met gevaarlijke, ziekmakende chemische stoffen. Synthetische vezels legden ook de basis van fast fashion of wegwerpmode. Behalve een ramp voor het milieu, steunt ze op de uitbuiting van werknemers in lageloonlanden.

Intussen is de zoektocht naar duurzaam textiel ingezet. Recent is men erin geslaagd om kunstvezels te vervangen door natuurlijke vezels van dierlijke oorsprong zoals spinnenzijde. Deze ontwikkeling verkeert echter nog in een pril stadium en de toepassingsmogelijkheden moeten nog onderzocht worden.

In De gouden draad leert u uiteraard nog veel meer over de rol en betekenis van textiel voor de menselijke geschiedenis. Haar overzicht is uiteraard niet volledig, maar dat was ook niet de bedoeling van Kassia St Clair. Ze heeft zich beperkt tot de thema’s en kruispunten die illustratief zijn voor de betekenis van stoffen in onze geschiedenis.

Het resultaat is een degelijk gedocumenteerd en toch zeer leesbaar geschreven werk, dat zich laat lezen als een roman. Het kon mij van begin tot einde boeien.

© Minervaria

Written by minervaria

29 juli 2021 at 19:32

Geplaatst in Geschiedenis

De geschiedenis van de slavernij

with one comment

HARRISON, D., De geschiedenis van de slavernij. Van Mesopotamië tot moderne mensenhandel. (Vert. Slaveriets Historia, 2015) Utrecht, Uitg. Omniboek, 2020, 704 pp. – ISBN 9789401916233

In 2015 werd in een dorpje in Noord-Engeland een geboeid menselijk skelet aangetroffen. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om een slaaf uit de Romeinse tijd. Het skelet vertoonde ernstige letsels en er zijn aanwijzingen gevonden dat de man een fysiek zwaar leven heeft geleid.

In de Romeinse tijd was slavernij een essentieel element van het economisch en sociaal systeem. Tegenwoordig is dit niet meer zo en gelukkig is het zelfs ondenkbaar, maar toch zijn er nog veel slaven op aarde. Als we slavernij willen uitroeien, moeten we het systeem bestuderen en de geschiedenis ervan doorgronden zegt Dick Harrison, professor geschiedenis aan de universiteit van Lund.

Slavernij is waarschijnlijk van alle tijden en kwam over de hele wereld voor. De oudste geschreven bronnen uit Mesopotamië vermelden reeds een bloeiende slavenhandel en slavernij. De voornaamste oorzaken zijn oorlog en armoede. Krijgsgevangenen werden ingezet als goedkope arbeidskrachten, mensen met schulden moesten deze delgen door zichzelf en hun gezin te verkopen. Kinderslavernij werd overigens pas in 1976 overal verboden.

Harrison beschrijft omstandig hoe de slavenhandel en slavernij tot voor kort op alle continenten integraal deel uitmaakte van de samenleving. Alleen Noord-West Europa bleef er vrij vroeg van gevrijwaard. Dit belette niet dat de Europeanen nog ettelijke eeuwen overal ter wereld actief waren in de branche. Alle Europese naties van enige betekenis wierpen zich op de slavenhandel. Er was enorm veel geld mee te verdienen.

Ons beeld van de slavernij steunt vooral op wat ons is overgeleverd over de ellende op de plantages in het Amerikaanse zuiden. Maar de studie van Harrison leert dat slavernij verschillende gezichten heeft. Zo was slavernij in de islamitische wereld en in Zuid-Oost Azië helemaal ingeburgerd in de samenleving. Slaven waren er niet zozeer werkvee maar statussymbolen. Ze konden zeer hoge posities bekleden. Ook in de pre-columbiaanse samenlevingen hadden slaven niet per definitie een ellendig leven.

Afrika werd het zwaarst getroffen. In de dertiende eeuw reeds deden Arabieren en Berbers gouden zaken met de slavenhandel in de Sahara. Ze speelden in op het slavensysteem dat reeds in Afrika bestond. In de 16e eeuw deden de Europeanen hetzelfde. Het was een kwestie van vraag en aanbod. De lucratieve transatlantische slavenhandel vanaf de zestiende eeuw tussen Afrika en Amerika teerde op de levendige Afrikaanse slavenhandel.

In een uitgebreid hoofdstuk fileert Harrison de transatlantische slavenhandel vanaf de zestiende eeuw. Een gedetailleerd beeld van de procedure, de verkopers en de kopers geeft u een idee van de omvang en complexiteit van de handel. Hij besteedt ruim aandacht aan de behandeling van de slaven aan boord van een slavenschip en het ellendige lot van de slaven op de plantages. Hij geeft wel verschillende aangrijpende voorbeelden van de meedogenloze behandeling van slaven, zowel in het strafbeleid als in het dagelijkse leven.

Niet alle slaven ondergingen hun lot lijdzaam. Sommigen vluchtten of kwamen in opstand en vormden eigen gemeenschappen van marrons, die met regelmaat de gang van zaken kwamen verstoren.

De opkomst van het abolitionisme (cf. Bevrijd de slaven!) in de tweede helft van de 18e eeuw gaf de doodsteek aan de transatlantische slavenhandel. Een voor een trokken landen zich terug uit de slavenhandel. Die werd in de loop van de 19e eeuw in de meeste landen ook verboden. Er waren echter gebieden waar de slavernij juist erger werd, onder andere in Latijns-Amerika en de Caribische gebieden.

Vooral in Afrika was de 19e eeuw veel verschrikkelijker dan voorgaande. Er was zeer veel vraag naar slaven voor de Afrikaanse plantages. Slavenraids in Centraal-Afrika leidden tot een spiraal van geweld en een demografische catastrofe. Het uitroeien van de slavenhandel en slavernij in Afrika verliep niet zonder slag of stoot. Tot ver in de 20e eeuw waren er nog slavenmarkten. Zo waren de ontelbare burgeroorlogen in sommige Afrikaanse landen zoals Soedan koren op de molen van de slavenhandelaars.

De geschiedenis van de slavernij biedt ook een genuanceerd beeld van de invloed van de koloniale mogendheden. De Europese kolonisatie zette wel een rem op de bestaande uitgebreide slavernij, maar de Europeanen gebruikten zelf de Afrikaanse bevolking als slaven. Al zegt Harrison het niet met zoveel woorden, volgens mij legt hij daarmee de vinger op een belangrijke oorzaak van de aanhoudende problemen in Afrika.

De groei van de moderne markteconomie en monetaire economie en de opkomst van sterke staten was echter een uitdaging voor het slavernijsysteem. De behoefte aan traditionele slavenhandel is afgenomen. Slaven worden overal ter wereld vervangen door goedkope gastarbeiders. Maar ook vandaag gaan in Europa en Amerika bepaalde vormen van slavernij nog door. Men noemt het alleen niet meer slaven-, maar mensenhandel. Zo zitten tegenwoordig duizelingwekkende aantallen jonge vrouwen vast in de gedwongen prostitutie.

In een pakkende epiloog maakt Harrison de balans op. Er is wereldwijd nog steeds onrustbarend veel slavernij en slavenarbeid. Naar schatting zijn er nog 12-13 miljoen slaven op de wereld. Het is verkeerd om slavernij voor te stellen als een economisch probleem, zegt hij. Slavernij gaat om vermeende superioriteit en minachting jegens diegenen die het slechter getroffen hebben. En de ongelijkheid en minachting worden gevoed door racisme.

Daaruit valt een belangrijke les te trekken. Slavernij verdwijnt niet vanzelf, maar moet uitgeroeid worden door de wortels te rooien. Hoe onrealistisch ook, oorlog en armoede moeten de wereld uit. Alleen West- en Noord-Europa hebben de slavernij op eigen kracht overwonnen. Het is jammer dat Harrison dit thema niet uitwerkt, maar dit lag natuurlijk buiten het opzet van zijn boek.

Dit lijvige werk is een samenvatting van een reeds vroeger verschenen trilogie. Het is grondig uitgewerkt en gedocumenteerd en daardoor zeer leerzaam en informatief. Het geheel is echter niet echt overzichtelijk uitgewerkt. Zo behandelt Harrison de slavernij in Zuid-Oost Azië bijna integraal in het hoofdstuk over de opstandige marrons. Er gaat ook buitensporig veel aandacht naar voor de doorsneelezer minder relevante details, zoals plaats- en persoonsnamen. Ik miste duiding van de feiten in een groter geheel.

De Nederlandse vertaling stelde mij echter teleur. De leesbaarheid lijdt onder stroeve zinnen en woordvolgorde.

© Minervaria

Written by minervaria

29 juni 2021 at 10:44

Geplaatst in Wereld

Werk. Een geschiedenis van de bezige mens

leave a comment »

SUZMAN, J., Werk. Een geschiedenis van de bezige mens – van de oertijd tot het heden. (Vert. Work, 2020) Uitg. Thomas Rap, 2020, 447 pp. – ISBN 978 94 004 0726 8

Werkgelegenheid en tewerkstelling zijn altijd een hot topic in de politiek. Alleen een ernstige gezondheidscrisis of oorlog kunnen het thema uit het nieuws verdringen. Werken bepaalt onze identiteit, onze vooruitzichten, onze sociale status, onze contacten en verschaft ons eigenwaarde. Wie niet werkt wordt gezien als profiteur, zielig, of lui.

Dit is echter niet altijd zo geweest. Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis maakten onze voorouders zich niet zo druk om werk. En dit geldt ook nu nog bij de schaarse overgebleven jager-verzamelaars zoals de Khoisan en de Inuit. Hoe is dat te verklaren? En hoe is de verhouding van de mens tot werk geëvolueerd?

Op het fundamenteelste niveau is werk altijd een vorm van energieoverdracht. Alle levende organismen werken. Ze gaan actief op zoek naar energie en verwerken deze specifiek om te leven, te groeien en zich voort te planten. Sommige soorten, zoals vogels met intensieve nestbouw, gaan er wel heel spilziek mee om. Inzake energieverspilling spant de mens echter de kroon. Hoe valt dit te verklaren?

Suzman bestudeert de plaats van werk in het bestaan van Homo Sapiens vanuit een sociaal-antropologische invalshoek. Hij duikt in de verre geschiedenis van de mens en reconstrueert hoe de mens doorheen de prehistorische evolutie geleidelijk een energiebom werd. Daarin zijn een paar cruciale ontwikkelingen te onderscheiden.

Het eerste kruispunt is het moment waarop mensen leerden het vuur te beheersen. Daarmee spaarden ze energie om warm te blijven en ze haalden meer energie uit voedsel. Zo werden hun hersenen steeds beter van brandstof voorzien. Zo kon de mens zich geleidelijk meer bezighouden met activiteiten die niet onmiddellijk met overleven te maken hadden.

De uitvinding van de landbouw kunnen we beschouwen als de belangrijkste revolutie in de relatie van de mens tot werk. Alhoewel aanvankelijk slechts met mondjesmaat, leverde landbouw energie-overschot. Naarmate agrarische samenlevingen productiever werden, gingen mensen paradoxaal genoeg steeds meer werken. Er was immers veel meer werk nodig om die grote en complexe landbouwsamenlevingen op te bouwen en in stand te houden.

Een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van arbeid begon toen landbouwsamenlevingen zulke grote voedselvoorraden produceerden dat ze grote stedelijke bevolkingen konden onderhouden. Nieuwe vaardigheden werden belangrijk, er ontstonden nieuwe beroepen en ambachten. Stedelingen konden het zich bovendien veroorloven om meer energie te investeren in niet-productieve activiteiten, zoals het najagen van status, welzijn, plezier, macht. Zo groeiden ambitie, jaloezie, en het verlangen naar steeds meer.

Door de opkomst van massaproductie creëerde de industriële revolutie geleidelijk een onvoorstelbare overvloed aan materiële voorspoed. Hiervan profiteerden eerst de beter gesitueerden, later ook de gewone mens. Werken werd een middel om voorspoed te verwerven en zich van anderen te onderscheiden. In de huidige consumptiemaatschappij zetten marketing en reclame mensen aan om meer te kopen dan hun basisbehoeften. Daarvoor moeten ze dan weer meer werken.

Al dat overmatige werken blijft echter niet zonder gevolgen. Reeds in de vroege landbouwgemeenschappen leed de gezondheid onder het werk op de akkers. In de hoogtechnologische samenleving sterft een aanzienlijk aantal mensen door overwerk en stress.

De mentaliteit tegenover werk als noodzaak in de eerste landbouwgemeenschappen bepaalt blijkbaar nog steeds hoe ons huidig economisch leven georganiseerd wordt. De verhouding tussen menselijke arbeid en inspanning en beloning was al in de oudste landbouwsamenlevingen niet evenredig en ze wordt steeds schever. De ongelijkheid neemt verder toe. Automatisering maakt rijker wie al rijk is en de arbeider verliest het recht om zinvol werk te doen.

Hoe zal werk er in de toekomst uitzien? Zal de toenemende robotisering en automatisering onze relatie met werk veranderen en hoe? Volgens Suzman kunnen wij heel wat leren van de vroegere en huidige jager-verzamelaars bij wie hij ettelijke jaren doorbracht, en van de plaats die werk in hun leven inneemt.

Met Werk onderneemt u een boeiende tocht door de geschiedenis met enorm veel informatie over de processen die de ontwikkeling sturen van menselijke gemeenschappen en bezigheden. Suzman kiest bovendien een originele invalshoek: werk als energiemanagement.

Het betoog is stevig onderbouwd. De tekst is weliswaar niet altijd even toegankelijk, maar het geheel was de inspanning meer dan waard. 

© Minervaria

Written by minervaria

9 mei 2021 at 09:33

De tirannie van verdienste

leave a comment »

Image

SANDEL, M., De tirannie van verdienste. Over de toekomst van de democratie (Vert. The Tyranny of Merit, 2020) Utrecht, Uitg. Ten Have, 2020, 365 pp. – ISBN 978 90 259 0750 1

Een CEO van de bel20 verdient 6.533 euro per dag. Voor datzelfde bedrag moeten de meeste mensen meer dan drie maanden werken. Hoezo kun je rijk worden “als je maar hard genoeg werkt”? Michael Sandel, hoogleraar politieke wetenschappen aan Harvard University, heeft er een duidelijke visie over.

In de voorbije veertig jaar is het ongenuanceerde marktdenken nagenoeg overal ter wereld de overheersende ideologie geworden. Alles werd een zaak van vraag en aanbod met rampzalige gevolgen voor de gewone mens. De ongelijkheid is schrikbarend toegenomen. Tot overmaat van ramp hebben de centrumlinkse partijen kritiekloos het discours van de markt omarmd.

Het allesoverheersende geloof in de markt trok de sociale verhoudingen scheef en bevorderde een meritocratische mentaliteit. Als je maar hard genoeg werkt, kun je alles bereiken, luidt het devies. Wie het ‘maakt’ in het leven heeft dit dus verdiend. Succes en mislukking werden de graadmeter voor verdienste, arbeid heeft aan waardigheid ingeboet. Mensen uit de arbeidersklasse hebben aan economische en culturele status ingeleverd en veel mensen hebben het gevoel dat de elites op hen neerkijken.

Op zich is er natuurlijk niets mis met de vrije markt, noch met verdienste. Als je hard werkt voor iets, dan heb je het ook verdiend om ervoor beloond te worden. Het wordt echter een probleem als we gaan denken dat we onze successen op eigen kracht behaald hebben. Er zijn zoveel factoren die het al dan niet mogelijk maken om succes te boeken. Is het werkelijk je eigen verdienste dat je toevallig over de talenten beschikt waaraan een marktsamenleving waarde hecht?

In een dergelijke context is loon naar verdienste een vorm van tirannie, van onrechtvaardigheid. De tirannie van verdienste feliciteert de winnaars en kleineert de verliezers. De rol van het lot, tegenslag en toeval wordt volledig genegeerd. Aan verdienste wordt een moreel kaartje gehangen. Wie goed presteert heeft dit aan zichzelf te danken, wie mislukt heeft het eveneens aan zichzelf te danken.

Het gevolg is dat wie bovenaan de maatschappelijke ladder belandt, inderdaad gaat geloven dat dit succes verdiend is. En diegenen die geen succes kennen, raken ervan overtuigd dat ze hun falen helemaal aan zichzelf te danken hebben. Het meritocratisch geloof stapelt de ene belediging op de andere. Zo worden diploma’s en certificaten systematisch overgewaardeerd, waardoor de handarbeiders en het kantoorpersoneel steeds minder aanzien genieten.

De overheid, die het zou moeten opnemen voor de gewone burger en solidariteit en samenhang zou moeten bevorderen, heeft grandioos gefaald. De gestage uitholling van de maatschappelijke status van mensen die niet gestudeerd hebben of het niet ‘gemaakt’, heeft fundamenteel wantrouwen bij de burger veroorzaakt. De populistische onvrede wortelt in moreel ressentiment tegen diegenen die ‘onverdiend’ profiteren van de mondialisering.

Hoe geraken we daaruit? Hoe kan de tirannie van verdienste overwonnen worden zonder die verdienste op zich af te schuiven? We moeten op een andere manier gaan denken over succes, zegt Sandel. Hij werkt dit uit voor twee concrete thema’s, onderwijs en waardig werk.

Er moet weer waardering komen voor andere vormen van onderwijs dan universiteit. De overwaardering van diploma’s ondergraaft de maatschappelijke erkenning van en achting voor mensen die daar niet over beschikken. Mensen mét diploma zijn dan weer geneigd om neer te kijken op zij die er geen hebben. En de laatsten worden nauwelijks vertegenwoordigd in de beleidsorganen van de politiek.

Een hervorming van de belastingen zou kunnen bijdragen tot een herwaardering van werk. Door belasting op werk wordt de waarde van werk immers aangetast en werknemers krijgen een steeds kleiner deel van de koek die ze helpen produceren. Belastingen zouden zich moeten verhouden tot de bijdrage aan het algemeen welzijn. Financiële transacties zouden dus zwaarder belast moeten worden, arbeid minder zwaar.

Ongenadig fileert Michael Sandel de meritocratische samenleving van de voorbije veertig jaar. Zijn discours is vooral toegesneden op de Angelsaksische landen, waar het marktdenken het zwaarst heeft toegeslagen. In Europa is dit, hoewel minder desastreus, echter in vele opzichten ook van toepassing. Het succes van de populistische partijen zegt voldoende.

Sandel is niet de enige die de uitwassen van de doorgedreven neoliberalisering aan de kaak stelt en een gelijkaardige analyse maakt. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de politiek dit nog steeds niet lijkt door te hebben. Misschien is het toch niet zo verbazend, aangezien mensen zonder universitair diploma nauwelijks vertegenwoordigd worden in de beleidsorganen van de politiek.

Dit boek legt ongenadig de vinger op de neoliberale wonde. Veel inzichten waren niet echt nieuw voor mij, maar Sandel legt interessante verbanden en maakt er een samenhangend en degelijk onderbouwd geheel van.

©  Minervaria

Written by minervaria

8 maart 2021 at 16:25