Boekrecensies Minervaria

Over mens en maatschappij

Archive for the ‘Gezondheid en welzijn’ Category

De depressie-epidemie

leave a comment »

DEHUE, T., De depressie-epidemie. A’dam, Uitg. Augustus, 2008 (8e dr.), 333 pp. – ISBN 978 90457 0430 2

In welvarende landen, waar de primaire levensbehoeften steeds beter zijn vervuld, heeft depressie epidemische vormen aangenomen. Talloze psychiaters, psychologen, moleculair biologen, neurologen, endocrinologen, ethologen en epidemiologen hebben zich al over het probleem gebogen maar de stoornis lijkt steeds meer om zich heen te grijpen.  De leeftijd waarop mensen voor het eerst een depressie krijgen komt juist lager te liggen. Dertig jaar geleden was dat nog op je veertigste, vandaag is dat tussen je veertiende en je twintigste, aldus onderzoeker Koen Raes.

Hoe is het zover kunnen komen? Gaat het om een biologisch bepaalde stoornis, die al eeuwenlang bestaat en overal voorkomt, maar pas nu in rijke landen goed gediagnosticeerd en behandeld wordt? Is de sterke toename van depressie een product van de farmaceutische industrie, die geld en macht vergaart door de bevolking stoornissen aan te praten? Of heeft de verzorgingsstaat de mensen te kleinzerig gemaakt, waardoor ze niet meer gewapend zijn tegen het leven?

In dit boek onderwerpt Trudy Dehue, hoogleraar wetenschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, deze verklaringen aan een kritische analyse. Ze laat zien dat deze niet afdoende zijn. Zij besluit dat de depressie-epidemie niet aan één enkele factor toe te schrijven is, maar aan een complex patroon van ontwikkelingen. En ze oppert een alternatieve verklaring.

Een historische verkenning leert dat de ‘moderne’ depressie niet zonder meer terug te brengen is tot de melancholie uit vroeger tijden. Toen hadden neerslachtigheid en depressiviteit een andere betekenis en stonden voor andere gedragingen en emoties dan wat wij nu onder depressie verstaan.

Depressie als biologische stoornis is een product van de psychiatrie en de farmaceutische industrie en dat beeld wordt versterkt door de neurowetenschappen, de journalistiek, de overheid en de hulpverlening. Dat heeft grote gevolgen voor de behandeling en de perceptie van de patiënt of cliënt. Alhoewel het beeld van depressie als lichamelijke ziekte nog helemaal niet bewezen is, worden somberheid en futloosheid tegenwoordig algemeen gezien als een veel voorkomende ziekte die de dokter moet verhelpen.

Velen wijzen met een beschuldigende vinger naar de farmaceutische bedrijven. Zij zouden de ziekten ‘aanprijzen’ die hun medicijnen moeten verhelpen. De farmaceutische industrie is echter niet de enige die het beeld van depressie als biologisch verankerde stoornis onder het publiek verspreidt. Wetenschappelijk onderzoekers moeten hun producten evengoed zien te verkopen. Geprivatiseerde onderzoeksbedrijven zowel als universitaire laboratoria moeten opdrachten van het bedrijfsleven binnenhalen of zelf de gang maken naar de beurs.

Trudy Dehue ontkracht tenslotte de verklaring dat de depressie-epidemie een product is van de hedendaagse verzorgingsstaat, die de gepamperde burger zou hebben ’verwend’ en ‘verwekelijkt’. De depressie-epidemie heeft eerder te maken met een verharding dan met een verzachting van de samenleving. In de afgelopen decennia maakte het ideaal van de maakbare samenleving plaats voor dat van het maakbare individu. Waren voorheen omstandigheden meestal nog de oorzaak van voorspoed of ellende, nu richt de aandacht zich op de persoonlijke inzet.

Daarbij zijn mensen niet minder maar juist méér verantwoordelijkheid voor zichzelf gaan dragen. Volgens de logica van de markt hebben mensen immers de plicht het lot in eigen hand te nemen. Mensen zijn hun eigen onderneming geworden. Ze moeten hun best doen om mee te kunnen in een concurrentiemaatschappij, want economisch succes wordt gezien als maatstaf voor slagen in het leven. Steeds meer mensen voelen zich in deze opgave tekortschieten.

In deze verfrissend kritische en tevens zeer leesbare studie legt Trudy Dehue de vinger op een steeds dieper etterende wonde. In ver doorgevoerde vorm laat het neoliberale systeem veel mensen volledig aan hun lot over. De verliezers hebben het aan zichzelf te wijten dat ze niet slaagden. In een systeem dat iedereen leert primair uit te zijn op eigenbelang kan niemand rekenen op substantiële hulp van anderen. Dat is alleen goed te verdragen voor de echte winnaars die niemand nodig hebben.

Sedert de eerste publicatie van dit boek is het er beslist niet beter op geworden. In onze maatschappij moeten talloze mensen verwoede pogingen doen om zich te handhaven. Wie zich niet dagelijks opgewekt en uitgebreid profileert op verschillende netwerksites telt niet meer mee. Wie zich niet kan beroepen op een flitsende carrière heeft het niet gemaakt. En het aantal coaches en cursussen, die ons zullen helpen om onze eigen praktijk te doen slagen, is nauwelijks bij te houden.

Terecht bekroonde de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek dit boek met de Eurekaprijs van 2009 voor een populairwetenschappelijke publicatie.

©  Minervaria

Written by minervaria

30 juni 2012 at 19:59

Hij had beter dood kunnen zijn

leave a comment »

van LOENEN, G., Hij had beter dood kunnen zijn. Oordelen over andermans leven. A’dam, Van Gennep, 2009, 222 pp. – ISBN 978 90 5515 393 0

Bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden mogen mensen in Nederland en België kiezen voor de dood. Als belangrijkste reden wordt de zelfbeschikking aangevoerd: wie lijdt, mag zelf beslissen te sterven. De praktijk valt echter tegen. Het publiek denkt dat mensen recht hebben op euthanasie of hulp bij zelfdoding. Maar als ze dat recht vervolgens opeisen bij hun arts, blijken ze het niet te kunnen afdwingen. Want de zelfbeschikking van de patiënt is theorie. In de praktijk geeft het oordeel van de arts over het uitzichtloos en ondraaglijk lijden de doorslag.

Maar als bij opzettelijke levensbeëindiging het argument lijden belangrijker is dan zelfbeschikking, kun je dan toelaten dat mensen blijven lijden, enkel en alleen omdat ze niet om euthanasie kunnen vragen? De redenering luidt dan ‘Jan ligt al zoveel jaren in coma, zelf zou je dat toch nooit willen? Ik vind dat we hem waardig moeten laten sterven.’ Geleidelijk is zo de weg vrijgemaakt voor het ongevraagd verlossen van mensen uit hun lijden, voor levensbeëindiging zonder verzoek.

Journalist Gerd van Loenen maakt een kritische analyse van de beweegredenen van artsen om niet te reanimeren, om medische behandelingen te staken bij mensen in vegetatieve toestand en bij zieke of zwaar gehandicapte pasgeborenen, of om dodelijke middelen toe te dienen aan uitbehandelde patiënten die daar niet om hebben verzocht. In de meeste gevallen is er geen sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, maar luidt de rechtvaardiging dat het zinloos is om het leven van deze patiënt nog langer te rekken.

Wat bedoelt een arts als hij zegt dat behandeling ‘medisch zinloos’ is? En wie beslist dat en op grond waarvan? Oordeelt men in werkelijkheid niet te snel dat sommige mensen beter dood kunnen zijn, zelfs al lijden ze niet ondraaglijk en uitzichtloos maar zijn ze gehandicapt of zien ze een leven met beperkingen tegemoet? Het is zeker zo dat het leven van en met een gehandicapte mens zwaar is. Maar het is iets heel anders om te zeggen dat die mens daarom beter niet meer zou leven.

Als anderen in de plaats van de betrokken persoon gaan bepalen wat uitzichtloos en ondraaglijk lijden is, zitten we snel op een hellend vlak, zegt van Loenen. Artsen, maar ook mantelzorgers en ethici, oordelen over het leven van een ernstig zieke of gehandicapte persoon vanuit hun eigen levensbeschouwing. Ook de media gaan niet vrijuit. In de meeste documentaires en films over het thema wordt steevast een mensvisie naar voor geschoven die het leven met handicaps of beperkingen als minder gelukkig of waardevol acht.

Gehandicapt leven leidt voor deze beslissers en opiniemakers kennelijk enkel tot leed en niet tot geluk, en bestaat alleen uit kosten en niet ook uit baten. Niemand komt op het idee om gehandicapten, die dankzij reanimatie of medisch ingrijpen nog leven, te vragen hoe ze hun leven met beperkingen waarderen of om te observeren of ze een gelukkige indruk maken. Beperkingen leiden niet vanzelf tot uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en als iemand dat goed kan beoordelen dan is het wel degene die zelf gehandicapt is.

We kunnen ons beter gewoon aan de euthanasiewet houden: levensbeëindiging op verzoek mag, levensbeëindiging zonder verzoek mag niet. Mensen kunnen zeker vanwege hun lijden afstand doen van het recht op leven, en liever sterven. Maar dat kunnen ze alleen vrijwillig doen. Als het om andermans leven gaat moeten we ons terughoudend opstellen en erin berusten dat iemand voortleeft in een situatie waarin we zelf misschien om euthanasie zouden vragen. We moeten accepteren dat iemand leeft zolang hij leeft, ook als we niet weten wat voor zin dat heeft.

Dit boek stelt een aspect van opzettelijke levensbeëindiging aan de orde, dat de inzet is van een vurig debat tussen voorstanders en tegenstanders van euthanasie en waarover in de media zelden gesproken wordt. Doorgaans worden de argumenten tegen euthanasie en de uitbreiding van de wet door religieuze groeperingen geclaimd. Daardoor vallen ze bij vrijzinnigen vaak in dovemansoren. Van Loenen toont aan dat deze waarschuwingen gegrond zijn, niet om religieuze redenen, maar omdat artsen zich voorbehouden te bepalen wat ondraaglijk en uitzichtloos lijden is.

Deze vaststelling roept bij mij twee bedenkingen op, die buiten het bestek van dit boek vallen. Ten eerste oordelen artsen, behalve over de ernst van het lijden, ook vaak voor een patiënt dat hij niet in staat is zelf te beslissen. De meeste psychiaters weigeren euthanasie of hulp bij zelfdoding omdat ze vinden dat de wens van hun patiënt om te sterven kan voortkomen uit zijn psychische ziekte. Daarmee is hulp bij zelfdoding voor psychisch zieken in de praktijk vrijwel onmogelijk. Geen zelfbeschikking dus voor wie psychisch ziek is. Het dramatische gevolg is dat psychisch zieke mensen met een stervenswens soms enkel een gruwelijke zelfdoding rest in mensonterende omstandigheden.

Niemand mag noch kan in de plaats van een ander oordelen dat zijn lijden zo ondraaglijk en uitzichtloos is dat het leven onleefbaar wordt, en daarom het leven van deze persoon opzettelijk bekorten of beëindigen. Deze duidelijke stellingname is meteen de aanleiding voor mijn tweede bedenking. Als zelfbeschikking, en niet medelijden, de ultieme grond is voor opzettelijke levensbeëindiging, dan kunnen artsen of mantelzorgers ook niet voor een ander oordelen dat zijn lijden niet uitzichtloos of ondraaglijk genoeg is. Zij kunnen hem of haar op deze grond dan ook euthanasie of hulp bij zelfdoding niet ontzeggen.

Dit waardevolle boek zet je aan het denken over het grijze gebied in de gezondheidszorg waar moeilijke beslissingen moeten genomen worden over leven en dood. Het is geheel toegesneden op de Nederlandse situatie, maar het thema – de verdediging van de onmondige mens tegen de medische almacht – is grensoverschrijdend. De tekst is toegankelijk geschreven en laat zich vlot lezen.

@ Minervaria

Aansluitend: De ongemakkelijke waarheden over euthanasie

Written by minervaria

27 april 2012 at 21:26

Wij zijn ons brein

leave a comment »

SWAAB, D. Wij zijn ons brein. Van baarmoeder tot Alzheimer. Uitg. Contact, 2011 (11e herziene druk), 480 pp. – ISBN 978 90254 3522 6

Het brein is in. De afgelopen jaren werden we overspoeld met boeken over hersenonderzoek en het brein. Neurowetenschappen zijn over hele wereld een topprioriteit geworden van universiteiten en onderzoeksinstituten. Hersenen zijn hip. Maar zijn ze ook meer dan een hype?

De gerenommeerde hersenonderzoeker Dick Swaab is daar in ieder geval van overtuigd. Onze hersenen zijn geëvolueerd om het individu en de soort in stand houden. Ze besturen de meest uiteenlopende aspecten in ons leven. Hersenonderzoek is daarom het antwoord op de vraag waarom we zijn zoals we zijn, een zoektocht naar onszelf.

Ons brein werkt als een ingewikkeld commandocentrum. Het verwerkt een niet aflatende informatiestroom en stuurt die in alle richtingen. De bouw van deze fantastische machine bepaalt onze mogelijkheden, onze beperkingen en ons karakter. Alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen, zegt hij. In dit boek laat Swaab zien hoe ze dit gedurende ons gehele leven klaarspelen.

Voor de geboorte worden onze hersenen geprogrammeerd door een combinatie van erfelijke factoren en de omstandigheden in de baarmoeder. Wij komen ter wereld met hersenen waarin onze karaktereigenschappen, talenten en beperkingen al voor een belangrijk deel zijn vastgelegd.

Zo wordt het duidelijk dat we niet vrij zijn om onze seksuele oriëntatie te kiezen en waarom therapieën om die te veranderen veel ellende veroorzaken. Recent onderzoek leert dat veel psychiatrische stoornissen wortelen in de hersenontwikkeling voor de geboorte, zelfs als ze pas veel later tot uiting komen.

Als kinderen recalcitrante pubers worden doen zich weer complexe en belangrijke veranderingen voor in de hersenen. Deze maken begrijpelijk waarom een derde van de jongeren tussen de 10 en 17 jaar een delict pleegt. Dit betekent dat pubers slechts beperkt verantwoordelijk kunnen gesteld worden voor hun gedrag.

Swaab laat ons verder zien hoe onze hersenen het mogelijk maken om gebeurtenissen te onthouden. Zo vormen ze de basis voor onze identiteit en zelfgevoel. Hij maakt ook duidelijk hoe onze hersenen verouderen, hoe het dementeringsproces verloopt en wat er gebeurt als we dood gaan.

Er wordt aandacht besteed aan stoornissen van bewustzijn, hersenschade door agressieve sporten als boksen, en hersenziekten zoals verslaving, autisme en schizofrenie. Met deze wetenschap kan opnieuw de vraag gesteld worden hoe verantwoordelijk iemand is voor daden die hij heeft gepleegd door een hersenafwijking.

Ook de relatie tussen de hersenen en het ‘onstoffelijke’ komt aan de orde. De hersenen genereren het bewustzijn. Uit de hersenen kunnen religie en de ziel verklaard worden. En de manier waarop onze hersenen werken maakt duidelijk waarom wij ons er misschien beter bij neerleggen dat een volledige vrije wil een illusie is.

Een aantal lezers zullen moeite hebben met de naturalistische en deterministische visie van de neurowetenschapper Swaab. Aan de wetenschappelijke bevindingen over de hersenen verbindt hij bovendien soms gedurfde conclusies met betrekking tot maatschappelijke, ethische en politieke vraagstukken en evoluties. Religieuze levensbeschouwingen en politieke ideologieën met een repressieve agenda krijgen geregeld een veeg uit de pan.

In tegenstelling tot wat er in de pers gesuggereerd wordt is dit geen gemakkelijk boek. Met hun verschillende gebieden, die bovendien geleerde Latijnse benamingen hebben, vormen de hersenen het meest ingewikkelde orgaan van ons lichaam. Met behulp van illustraties, voorbeelden en anekdotes heeft Swaab zijn betoog wel zoveel mogelijk verteerbaar gemaakt. En gelukkig zijn de verschillende hoofdstukken afzonderlijk te lezen, zodat men de inhoud met mondjesmaat tot zich kan nemen.

© Minervaria

Written by minervaria

21 februari 2012 at 13:28

Bekocht of behandeld

leave a comment »

SINGH, S & E. ERNST, Bekocht of behandeld. De feiten over alternatieve geneeswijzen. (Vert. Trick or treatment? Alternative medicine on trial, 2008) A’dam, Uitg. De Arbeiderspers, 2010, 393 pp. – ISBN 978 90 295 7313 9

Met het aanbreken van het verkoudheidsseizoen gaat Oscillococcinum weer vlot over de toonbank. Een chiropractor verlost je in een handomdraai van je rugpijn. Met behulp van acupunctuur verdwijnt je tenniselleboog als sneeuw voor de zon. En je zult geen last meer hebben van zure oprispingen als je altijd barnsteen bij je draagt.

De populariteit van alternatieve geneeswijzen neemt wereldwijd hand over hand toe. De remedies staan torenhoog opgestapeld in elke apotheek, worden in elk tijdschrift beschreven, op miljoenen webpagina’s besproken en door miljarden mensen gebruikt. Met alternatieve behandelingen wordt geleurd alsof ze enorm veel baat bieden. Maar doen ze dat werkelijk?

Simon Singh en Edzard Ernst gaan op zoek naar de waarheid over de drankjes, de watertjes, de pillen, de naalden, het kloppen en het energetiseren. Is alternatieve geneeskunde boerenbedrog of juist buitengewoon effectief? Wie is betrouwbaar en wie draait je een poot uit? Wat werkt en wat niet? Wat zijn de geheimen en wat zijn de leugens? Welke therapieën zijn veilig en welke zijn gevaarlijk?

Alternatieve geneeswijzen zijn therapieën die door een meerderheid van toonaangevende artsen niet worden aanvaard. Zij maken gebruik van onderliggende processen die doorgaans biologisch onaannemelijk zijn en niet aantoonbaar. Het zou echter van vooringenomenheid getuigen als ze alleen op grond daarvan verworpen zouden worden. Het grootste deel van de geschiedenis baseerde de geneeskunde zich immers ook op theorieën die nu als hopeloos achterhaald beschouwd worden. Pas na de introductie van de wetenschappelijke methode is de geneeskunde met rasse schreden vooruit gegaan.

Aangezien de alternatieve geneeskunde beweert dat ze dezelfde ziekten en aandoeningen kan behandelen als de reguliere geneeskunde, moet ze langs dezelfde meetlat worden gehouden. Haar werkzaamheid dient bewezen te worden aan de hand van de methodes die voor de reguliere geneeskunde worden vereist. Een alternatieve geneeswijze blijft een dubieuze behandeling tot ze zich in hooggekwalificeerde proeven heeft bewezen.

De empirisch onderbouwde geneeskunde is gebaseerd op grondig wetenschappelijk onderzoek. Door middel van experimenteren en observeren kunnen wetenschappers vaststellen of een bepaalde therapie doeltreffend is. Nieuwe feiten worden onderzocht en conclusies worden regelmatig herzien. Voor een goed begrip daarvan geven de auteurs in het eerste hoofdstuk een snelcursus in de wetenschappelijke methode. Meer in het bijzonder leggen ze uit hoe die in de geneeskunde wordt gebruikt.

In de volgende hoofdstukken kijken de auteurs wat er gebeurt wanneer de wetenschappelijke aanpak wordt toegepast op de alternatieve geneeskunde. Achtereenvolgens worden acupunctuur, homeopathie, chiropraxie en kruidengeneeskunde op hun wetenschappelijke bewijskracht getoetst. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal van verschillende onderzoekers trekken zij conclusies over de werkzaamheid en de mogelijke gevaren van iedere geneeswijze.

Er bestaan echter nog tientallen andere therapieën, soms met potsierlijke pretenties, die veel minder uitgebreid getoetst werden, en met de regelmaat van de klok komen er nieuwe bij. In een aanhangsel evalueren de auteurs zesendertig andere alternatieve behandelingen, zoals antroposofische geneeskunde, Bach Bloesem Remedies, Feng Shui en oorkaarsen.

Is alternatieve geneeskunde doeltreffend voor het behandelen van ziekten? Het antwoord is teleurstellend. De meeste vormen van alternatieve geneeskunde zijn ofwel onbewezen, ofwel onwerkzaam en sommige zelfs gevaarlijk. Een bewijsbaar veilig en effectief alternatief medicament is overigens helemaal niet alternatief maar in feite een regulier medicament. Patiënten die zich aan alternatieve geneeskunde wagen riskeren uitgebuit te worden, hun geld te verliezen en hun gezondheid te schaden.

Het feit dat deze geneeswijzen de wetenschappelijke vergelijking met de empirisch onderbouwde geneeskunde niet doorstaan, betekent echter niet dat ze geen goed kunnen doen. Hun werkzaamheid berust op het placebo-effect, een medisch fenomeen met een lange en omstreden geschiedenis. De auteurs geven een zeer interessante en uitvoerige uiteenzetting over de aard, de ontdekking en de studie van het placebo-effect. Het is een van de meest omstreden kwesties met betrekking tot de alternatieve geneeskunde.

Kunnen we vrede nemen met het succes van alternatieve remedies enkel omdat ze verlichting en hoop bieden door overtuiging en vertrouwen? De auteurs ontkennen formeel. We hebben in de geneeskunde geen placebo nodig om een placebo-effect op te roepen. Het placebo-effect berust niet zozeer op de behandeling, maar op het vertrouwen van de patiënt in de arts. Als de patiënt merkt dat de arts onwerkzame middelen voorschrijft kan dit vertrouwen geschaad worden. Een patiënt zou geen genoegen moeten nemen met een remedie die alleen werkt op basis van het placebo-effect.

De auteurs geven nog andere steekhoudende argumenten tegen de alternatieve geneeswijzen, zoals de kosten en de veiligheid. De gezondheid van een patiënt wordt in de waagschaal gelegd door elke onwerkzame behandeling als deze in de plaats komt van een reguliere behandeling. In het licht van de resultaten van hun onderzoek houden de auteurs een pleidooi voor meer toezicht en reglementering van de geneeskunde. Wetenschappelijke normen, beoordeling en reglementering zouden standaard moeten opgelegd worden aan alle typen geneeskunde.

Dit boek pretendeert ‘s werelds eerlijkste en accuraatste onderzoek naar de alternatieve geneeskunde te zijn. Of deze boude stelling klopt kan ik uiteraard niet verifiëren. Je kunt ze in ieder geval niet negeren. De conclusies zijn gebaseerd op zo’n 4000 onderzoeksstudies naar alternatieve geneeskunde, die duizenden medische onderzoekers over de hele wereld gedurende tientallen jaren hebben verricht. Het moet een titanenwerk geweest zijn om die allemaal bij elkaar te krijgen.

De auteurs kunnen in ieder geval stevige geloofsbrieven voorleggen. Ze zijn beiden geschoolde wetenschappers, en geen van hen is ooit in dienst geweest van een farmaceutisch bedrijf. Edzard Ernst is een insider die jarenlang de geneeskunde heeft beoefend, waaronder ook enkele alternatieve therapieën. Hij is ’s werelds eerste hoogleraar alternatieve geneeskunde en zijn onderzoeksgroep heeft vijftien jaar lang geprobeerd uit te vissen welke behandelingen werken en welke niet. De andere auteur, Simon Singh, is een outsider die bijna twintig jaar als wetenschapsjournalist bij de geschreven pers, de televisie en de radio heeft gewerkt.

Om overtuigd te worden van ‘de waarheid over alternatieve geneeswijzen’ had ik dit boek niet nodig, maar een betere kennis van de feiten heeft die overtuiging veel beter onderbouwd. Daarnaast heb ik heel wat opgestoken. Ik leerde over de ontstaansgeschiedenis, de achterliggende visie en de recente ontwikkelingen van de best onderzochte alternatieve geneeswijzen. Ik verwierf een beter inzicht in de redenen waarom mensen alternatieve geneeskunde verkiezen boven de reguliere geneeskunde en in de drogredenen die door alternatieve genezers aangevoerd worden om wetenschappelijke toetsing af te wijzen. Ik kreeg een opfrissing over het placebo-effect met een aantal gefundeerde argumenten waarom het niet toereikend is. En dank zij een handige tabel met de bewezen werkzaamheid en de gevaren van de meest gebruikte medicinale kruiden kan ik die met meer kennis van zaken aanwenden.

De auteurs hebben hun uiterste best gedaan om hun gegevens inzichtelijk voor te stellen. De geïnteresseerde lezer mag zich niet laten afschrikken door de omvang van het boek. Vaktermen worden goed uitgelegd en de vlot leesbare tekst maakt het toegankelijk voor een breed publiek.

© Minervaria

Written by minervaria

4 februari 2012 at 13:49

De onzichtbare vijand

leave a comment »

MOOIJ, A., De onzichtbare vijand. Over de strijd tegen infectieziekten. A’dam, Uitg. Balans, 2007, 255 pp. – ISBN 978 90 5018 889 0

Vogelpest, Mexicaanse griep, SARS, varkensgriep, de ziekenhuisbacterie, het West-Nijlvirus, de ziekte van Lyme. Wie dacht dat de mens de strijd tegen de besmettelijke ziekten definitief gewonnen had komt bedrogen uit. Toch eisen deze ziekten bijlange niet zoveel slachtoffers als de oude infectieziekten die in vroeger tijden massa’s mensen wegmaaiden.

Van oudsher worden mensen belegerd door ziekten als gevolg van een invasie van vreemde micro-organismen in het lichaam. Pest, pokken, lepra, cholera, malaria, difterie, tuberculose, gele koorts, syfilis, mazelen en roodvonk zijn in het collectieve geheugen gegrift. Epidemieën van besmettelijke ziekten behoorden zonder twijfel tot de ergste verschrikkingen. Er hoeft maar weinig te gebeuren of die angsten komen weer tot leven.

Voor de zeventiende eeuw werd in deze rampzalige epidemieën de hand van God ontwaard. In De onzichtbare vijand vertelt Annet de Mooij hoe de strijd tegen infectieziekten steeds meer een zaak werd van de wetenschap. Vanaf de zestiende eeuw groeide de belangstelling voor de werking van de natuur. In de volgende eeuw werd in het denken over ziekten en epidemieën gaandeweg meer gewicht toegekend aan aardse invloeden. De autoriteiten begonnen maatregelen te nemen die het besmettingsgevaar moesten indammen. De vroeger vrijwel onbegrensde greep van religie en magie op de geneeskunde verslapte.

De ontdekking van eencellige wezens door Antoni van Leeuwenhoek was de allereerste stap. Hij legde echter nog geen verband met mogelijke ziekten. De eerste besmettelijke ziekte die op een moderne manier werd benaderd waren de pokken. Op het einde van de achttiende eeuw verblijdde de plattelandsarts Edward Jenner de wereld met de koepokinenting of vaccinatie. Het succes van deze ingreep – de pokken zijn de eerste ziekte die wereldwijd werd uitgeroeid – vormde de start van de preventieve geneeskunde.

De ontdekkingen van Pasteur en Koch in de negentiende eeuw legden de basis voor de bacteriologie. Toch betekende dat niet meteen een doorbraak in de bestrijding van infectieziekten. Bij epidemieën moest de geneeskunde vaak machteloos toekijken. In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de betekenis van infectieziekten als doodsoorzaak vooral af door de verbetering van de voeding en van de sociale en sanitaire leefomstandigheden en door de effecten van voorlichting en onderwijs.

De echte triomfen van de geneeskunde over infectieziekten manifesteerden zich pas in de twintigste eeuw. De keuze aan beschikbare vaccins werd ruimer en men ontwikkelde nieuwe geneesmiddelen. De komst van antibiotica was een medische doorbraak zonder weerga. Rond 1950 waren de infectieziekten van doodsoorzaak nummer één veranderd in een onbeduidende restcategorie. Hier en daar viel er nog wat op te ruimen, maar het grote werk was gedaan.

De euforie was echter van korte duur. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd de wereld opgeschrikt door een nieuwe groep van ziekten, de hemorragische koortsen zoals Ebola. Toen die onder controle waren, zette aids de infectieziektebestrijding weer op de kaart. Oude ziekten als tuberculose kwamen weer op. En ieder jaar duikt er wel een of andere nieuwe besmettelijke variant op waartegen bacteriologen en virologen koortsachtig een remedie zoeken.

In de strijd tegen infectieziekten is iedere vooruitgang voorwaardelijk. Tussen mens en bacteriën en virussen zal er altijd evolutionaire competitie zijn om te overleven. Bacteriën en virussen worden resistent tegen de gangbare medicijnen, waardoor er steeds nieuwe moeten gevonden worden. De vraag is niet óf zich weer nieuwe grote pandemieën zullen voordoen, maar wanneer dit zal gebeuren.

Met dit boek heeft Annet de Mooij een spannend, en nog altijd actueel, hoofdstuk in de geschiedenis van de geneeskunde en gezondheidszorg toegankelijk gemaakt voor een ruim publiek. Ze heeft zich degelijk gedocumenteerd en besteedt, behalve aan de evolutie in de geneeskunde, ruim aandacht aan politieke keuzes en maatschappelijke ontwikkelingen. We leren ook hoe de wetenschap niet lineair vooruitgaat, maar met vallen en opstaan en in sprongen.

Een uitermate vlot lezende tekst zorgt bovendien voor waar leesplezier.

© Minervaria

Written by minervaria

14 januari 2012 at 09:58

Uitweg

leave a comment »

CHABOT, B. & BRAAM, S., Uitweg. Een waardig levenseinde in eigen hand. A’dam, Nijgh & Van Ditmar, 2010, 283 pp. – ISBN 978 90 388 9314 3

Niemand kan bestrijden dat zelfdoding dikwijls in overeenstemming is met ons eigen belang en onze plicht tegenover onszelf: ouderdom, ziekte of ongeluk kunnen het leven tot een last maken, een last die zwaarder kan wegen dan het leven zelf.

David Hume

Wat moet je als je hoogbejaard en hulpbehoevend bent, de vrienden wegvallen, je toekomst inkrimpt, vermoeidheid ieder bezoekje gauw te veel maakt en je vindt dat het genoeg geweest is? Wat kan je doen als je een ernstige chronische, maar niet dodelijke, ziekte hebt en steeds minder kunt, met 24 uur gedwongen bedrust en pijn in het vooruitzicht? Wat rest je als het verpleeghuis wenkt, waar zelfs de bedtijden voor je worden bepaald? Welke mogelijkheden zijn er nog voor mensen van wie het euthanasieverzoek klip-en-klaar wordt afgewezen?

Vaker dan bekend is overwegen mensen in voorliggende gevallen om zelf hun leven waardig te beëindigen. Dat is niet verboden, zolang men hiervoor zelf de verantwoordelijkheid neemt. Het is echter niet gemakkelijk om zonder hulp van een arts goede informatie te vinden over een waardig levenseinde in eigen beheer. Dit boek wil mensen met een weloverwogen doodswens informeren over hoe zij dat kunnen uitvoeren.

Om je leven zelf in waardigheid te beëindigen bestaan er twee manieren. De eerste is de medicijnmethode. Je stelt je eigen ‘pil van Drion’ samen, een combinatie van dodelijke medicijnen met slaapmiddelen, en neemt ze in. De andere methode is stoppen met eten en drinken. Anders dan gewoonlijk wordt gedacht, is bewust versterven geen gruwelijke dood. Met de juiste mondverzorging en verzachtende medicijnen, is stoppen met eten en drinken voor hoogbejaarden en ernstig zieken draaglijk. Bovendien biedt de periode van verzorging de mogelijkheid van een intens afscheid van de dierbaren, verspreid over meerdere dagen.

In Uitweg worden beide methoden uitgebreid en nauwkeurig beschreven. Als je stopt met eten en drinken is het belangrijk te weten wat je te wachten staat, hoelang het kan duren en welke maatregelen getroffen moeten worden om dorst en ander ongemak te vermijden. Kies je voor de medicijnmethode, dan dien je te weten welke medicijnen nodig zijn en in welke combinatie je ze moet innemen. Er wordt ook uitgelegd hoe je ze in bezit krijgt en hoe je ze moet innemen om te voorkomen dat je later in het ziekenhuis wakker wordt. Daarom belichten de auteurs ook verschillende onzekere en gevaarlijke methoden om uit het leven te stappen.

Rond het zelfgekozen levenseinde spelen allerlei wetten en regels een rol. De auteurs leggen de ongeschreven spelregels en valkuilen rond euthanasie bloot en geven praktische adviezen voor het doen van een succesvol euthanasieverzoek. Ze leggen uit  hoe je binnen de wet kan blijven als een dierbare je bijstaat bij zelfdoding en welke hulp strafbaar is.

De auteurs hebben alles gedaan om van Uitweg een echt praktisch handboek te maken. Bij iedere methode hoort een checklist en een geheugensteun met alle te nemen stappen. Er is een handig overzicht van alle potentieel dodelijke medicijnen, met vermelding van de juiste combinatie en dosis. Men vindt ze alfabetisch geordend terug in het medicijnregister, met vermelding van de betreffende pagina. In de uitklapbare tabel van de achterflap zijn diezelfde medicijnen te vinden, met hun merknamen in negen West-Europese en vier Engelstalige landen. Achter in het boek is bovendien een adressenlijst opgenomen van de instanties waar men in Nederland en Vlaanderen anoniem terecht kan met vragen over een doodswens.

Toch is dit geen handleiding met hapklare recepten. Het boek belicht de verschillende facetten van een zelfgekozen levenseinde en situeert de zelfgekozen dood in een breder perspectief. De auteurs definiëren zelfeuthanasie ten opzichte van zelfmoord of suïcide en euthanasie. Ze houden een warm pleidooi voor een goede dood en de mogelijkheid om op je eigen manier te sterven. De algemene inzichten worden raak geïllustreerd met ontroerende verhalen van nabestaanden en interviews met deskundigen.

De delicate kwestie van het zelfgekozen levenseinde wordt in dit boek met een zeldzame openhartigheid besproken. Door te informeren willen de auteurs de bevoogding doorbreken van artsen en wetgevers inzake het levenseinde. Op geen enkele wijze willen zij een impulsieve, eenzame en verminkende zelfdoding bevorderen. Een waardig levenseinde vraagt een intensieve voorbereiding en de nabijheid en steun van medemensen en is alleen al daardoor onverenigbaar met een overhaaste beslissing.

Het boek is in de eerste plaats bedoeld voor mensen met een weloverwogen doodswens en voor hun naasten. Maar je hoeft eigenlijk niet te wachten op een ziekte of doodswens om het te lezen en altijd binnen handbereik te hebben. Ik kan het iedereen aanraden die het levenseinde binnen eigen beheer wil houden als het aan de orde komt.

@  Minervaria

Written by minervaria

30 november 2011 at 14:45

Geplaatst in Gezondheid en welzijn

Tagged with ,

Kans op slagen

leave a comment »

DE GROOF, K. & T. DE GENDT (Red.), Kans op slagen. Een integrale kijk op geweld in gezinnen. Leuven, Lannoo Campus, 2007, 284 pp. – ISBN 978 90 209 7419 5

‘Een 35-jarige man werd veroordeeld tot een celstraf van 12 maanden, waarvan de helft effectief, voor het mishandelen van zijn 28-jarige vriendin. Volgens de burgerlijke partij zou de man het slachtoffer niet alleen gedurende drie dagen hebben geslagen, maar probeerde hij haar ook te verstikken. Op de rechtbank ontkende de man de feiten. Tijdens zijn voorarrest kreeg hij verschillende malen bezoek van zijn vriendin.’

Het gezin is de plaats waar we liefde en warmte verwachten te ontvangen. Daarom zijn we altijd geschokt wanneer we lezen over kinder- of partnermishandeling. Toch is geweld binnen gezinnen de meest voorkomende vorm van geweld in een samenleving. Maar omdat het tot de intieme leefsfeer behoort, wordt het afgedekt en zelden openlijk besproken. Het is beladen met schaamte, angst en machteloosheid, en daardoor taboe. Het geweld dat aan de oppervlakte komt is slechts het topje van de ijsberg.
Huiselijk geweld is ‘stil’ geweld.

Familiaal geweld moet nochtans wel degelijk besproken en aangepakt worden, want het stopt nooit vanzelf. Bovendien weten we dat iemand die geweld in het gezin ervaart, hetzij als getuige of als slachtoffer, een beduidend grotere kans loopt later in het leven zelf geweld te plegen of te ondergaan.
Hulpverleners dienen dus alert te zijn op signalen van familiaal geweld. Ze moeten inzicht hebben in de mechanismen achter het geweld om er op gepaste wijze mee om te gaan.

Dit boek bevat bijdragen van academici en praktijkmensen. Ze bespreken diverse aspecten van familiaal geweld, waarvan mannen en vrouwen, kinderen en ouderen het slachtoffer zijn. Alle auteurs vertrekken van een integrale en gezinsgerichte benadering. Geweld binnen gezinnen is immers een complex fenomeen, dat vaak van generatie op generatie doorgegeven wordt en waarvan de verschillende componenten nooit los van elkaar gezien mogen worden.

In het eerste deel komen algemene aspecten van familiaal geweld en de hulpverlening aan de orde. De auteurs lichten de verschillende vormen van huiselijk geweld toe alsook waarom het zo vaak voorkomt. Ze geven inzicht in de geweldspiraal bij dader en slachtoffer, en benadrukken het belang van situationele factoren en van het kunnen omgaan met conflicten zonder tot geweld over te gaan. De auteurs belichten ook de taak en positie van de hulpverlener in geval van vermoeden van geweld. Tenslotte wijzen ze op de noodzaak van een efficiënt netwerk van hulpverlening en nauwe samenwerking tussen justitie en de welzijnszorg.

Het tweede deel laat praktijkwerkers aan het woord over specifieke thema’s. Aan de orde komen onder andere het bespreekbaar maken van geweld in het gezin, stalking, werken met plegers van gezinsgeweld en het omzichtige werken met kinderen als slachtoffer en getuige. De twee boeiende bijdragen over familiaal geweld in allochtone kringen plaatsen familiaal geweld in een sociaal-cultureel perspectief. En ouderenmishandeling, een vaak ‘vergeten’ vorm van geweld, werd hier niet vergeten.

In het derde deel tenslotte zijn een aantal bruikbare methodische kaders voor de hulpverlening opgenomen. Zij vullen de praktische richtlijnen uit het vorige deel goed aan.

Het opzet van de redacteurs was om te verduidelijken hoe de verschillende vormen van geweld in gezinnen met elkaar samenhangen. Daarin zijn ze met glans geslaagd. Op overtuigende wijze breken ze een lans voor een integrale en gezinsgerichte benadering. Het geheel is met zorg samengesteld en de verschillende bijdragen zijn inhoudelijk diepgaand uitgeschreven.

Dit boek is vooral bestemd voor professionele hulpverleners. Uiteraard is de inhoud voor hen belangrijker dan de vorm. Toch had hier meer aandacht aan mogen besteed worden. Het houterige en afstandelijke taalgebruik van veel bijdragen is storend. Een slordige redactie heeft bovendien heel wat taalfouten laten staan, zoals het door elkaar gebruiken van enkel- en meervoud.
Ook een boek voor beroepskrachten verdient echter een aantrekkelijke presentatie en vlot leesbare tekst.

Niettemin kan ik dit werk aan alle geïnteresseerden aanbevelen. Het mag zeker niet ontbreken in de bibliotheek van agogische opleidingen en centra voor welzijnszorg.

© Minervaria

Written by minervaria

18 mei 2011 at 19:15

Geplaatst in Gezondheid en welzijn, Relaties

Tagged with

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.